zondag 12 september 2010

HET EINDE

Eigenlijk had ik de hoop voor het ziekenhuis al 100 maal opgegeven. Wekenlang had ik dagelijks gedreigd weg te gaan, maar niemand nam dat serieus. Of niemand vond het erg, dat ik weg zou gaan. Ik denk het laatste. Ze hadden al zoveel opgewonden en groen en geel geërgerde bleekneuzen zien komen en gaan, ik was louter do zoveelste in de rij. "We-we", denken ze, had Prof. Skip gezegd: "we were here before you came, and we'll be here after you've gone". Er verandert niets.

Toch vond ik het ergens beneden mijn waardigheid om zo maar te vertrekken. Om mijn nederlaag te erkennen ten opzichte van de desinteresse, de hardnekkige stommigheid, de corruptie, de chaos en de verbijsterende nalatigheid. Ik was graag zonder iets te zeggen vertrokken. Met de staart tussen de benen. Stiekum. Het had me een boel uitleg en ceremoniële krokodilletranen bespaard. Maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen. Ik moest op zijn minst gezegd hebben wat ik er van vond. Zelfs al had ik niet de minste illusie dat het er iets toe zou doen.

Dus schreef ik een rapport. Het rapport telde 20 pagina's. In het rapport stond wat er niet goed ging en hoe het verbeterd kon worden. Zonder dat het geld kostte. Met minder werk. En minder ergernis. Honderd suggesties had ik. Ik had er ook 200 kunnen doen. Misschien zouden zelfs de patiënten er op vooruitgaan, hoewel het daar niet in de eerste plaats om te doen was. Uiteraard. Ik wilde gewoon dat ik en verder iedereen in het ziekenhuis als een normaal mens zijn werk kon doen. Honderd pun-ten en honderd voorstellen.

Ik vond ze allemaal van heel veel gezond verstand getuigen, mijn voorstellen. Er waren voorstellen bij als: een patient die genoeg kan drinken, heeft geen intraveneuze vloeistof nodig. Of: de dokter, en niet de verpleging, vult de medicijnenlijst in. Of: het maken van een dagelijkse lijst van de te opereren patiënten is een goede manier om een operatie-complex te organiseren. Of: niet iedere patient met koorts hoeft te worden opgenomen met drie dagen quinine-infuus. Of: als een zaal-arts met vakantie gaat, dan meldt hij dat er wordt er voor vervanging gezorgd. Etc. Ik draaide een paar pagina's van het verhaal uit en meldde mij bij Jasper. Hij keek de a-viertjes door, verklaarde zich geheel akkoord met mijn visie en schoof ze in een la.

Dat is niet de bedoeling, zei ik.

Wat bedoel je?

Dat ze in een la geschoven worden. Ik wil en vergadering over deze onderwerpen.

Een vergadering?

Ja. Een vergadering met de dokters die het aan gaat.

Eh…ja…eh. Nou ja, we hebben eigenlijk al heel lang geen vergadering meer gehad. Eh…

Reden te meer om er nu een te hebben.

Ja.., ja, nou ja. Vroeger hadden we die ook, dat soort vergaderingen, maar ja…weet je….

Precies, zei ik. Een vergadering. Van alle dokters, zei ik. Ik zei het met het soort stelligheid dat geen tegenspraak duldt.

En ondertussen hoopte ik uiteraard vurig dat er niemand zou komen.

Jasper ging schoorvoetend akkoord.

Tijdens het volgende ochtendrapport kondigde Jasper de vergadering aan. Er volgde een doodse stilte.

Wie er lunch wil moet intekenen, zei ik vrolijk. Ik betaal. Ik neem aan dat er wel iemand een lijst wil laten rondgaan.

Niemand reageerde.

Ik dacht, mooi. Niemand reageert, er komt niemand, ik kan met opgeheven hoofd de aftocht blazen.

Wie schetst mijn verbazing toen ik woensdagochtend een lijst met 16 belangstellenden onder mijn neus geschoven kreeg. Zestien. Waren er wel zoveel dokters?

In allerijl bestelde ik 16 x kip-patat, want dat wilden ze. En 16 bier. Ik wist niet wat mij overkwam. Daar ging mijn slimme plan. Nu zat ik nog maanden in dit verdomde ziekenhuis vast. Ik kon mij immers moeilijk drukken, nu ik plotseling de grote instigator van de vooruitgang was geworden.

Het was een drukte van belang. Men was zelfs op tijd. Iedereen verdrong zich in de veel te kleine kamer die in allerijl was georganiseerd. Er was niet genoeg kip en niet genoeg patat, er moest bier worden bijgehaald. Er bleek inderdaad een onwaarschijnlijke hoeveelheid dokters voorhanden in het ziekenhuis. Of althans personeel dat voor dokter moest doorgaan. Een aantal ervan had ik nog nooit ontmoet. Patat met kip was duidelijk een aanlokkelijk aanbod.

Aan de andere kant werd mij iets anders duidelijk. Ik zag op mijn eentje alle medische en paedia-trische patiënten, al met al meer dan de helft van alle opnames. Ik had het gemiddelde verblijf teruggebracht tot 2.6 dagen per patient. Terwijl het verblijf op chirurgie (tractie!) 12 dagen was. Natuurlijk, er was de HIV-kliniek en de outpatients, waarvan ik er trouwens ook nog een stel zag, maar verder zag ik dus op mijn eentje de helft van de opgenomen patiënten, de andere 25 zagen de rest. Ik was - zo begreep ik - helemaal niet nodig.

Ik hield mijn verhaal. Ik vertelde ze wat een mooi land Tanzania was en hoe vriendelijk de mensen waren. Ik bedankte alle aanwezigen voor hun gastvrijheid, die ze niet betoond hadden. Ik bedankte ze voor hun vriendelijkheid, die niet verder reikte dan wat afgezaagde formules en voor hun mede-werking, die vrijwel nihil was geweest. Mijn sarcasme werd door niemand opgemerkt. Vervolgens vertelde ik ze dat ik nog nooit een ziekenhuis gezien had met zo veel hoog opgeleide professionals, waar zo ongelooflijk veel verkeerd ging.

Ze keken mij met z'n allen volstrekt wezenloos aan. Niemand zei iets.

Ik ging onverstoorbaar verder. Ik zei dat er veel werd geklaagd, maar niets werd gedaan. Ik daagde ze uit om met voorstellen te komen, die concrete besluiten op konden leveren, die het werk gemakke-lijker en plezieriger zouden maken.

Ik had de indruk dat ik tegen een kudde giraffes praatte. Maar ik genoot.

Ze doen het niet, dacht ik, ze willen niet veranderen en dus ben ik aan het einde van deze verga-dering eervol van ze af. Ik ging nog onverstoorbaarder verder. Ik rekende ze voor dat ze per jaar 8.000 liter infuusvloeistof en 4.000 cannules konden besparen, door niet iedereen die de deur binnenkwam klakkeloos aan infusen te hangen, maar door ORS te gebruiken en orale anti-malaria pillen te verstrekken, geheel volgens de richtlijnen van de WHO. Als we niet met materiaal smeten, hoefden we ook niet meer het hele ziekenhuis door te rennen op zoek naar vloeistof en cannules als er iemand in shock raakte. Bijvoorbeeld. En het aantal opnames kon met 30% worden teruggebracht. En ik liet nog - pak 'm beet - een stuk of tien van mijn gezond verstand ideeën op ze los.

Ze hoorden het al kauwend aan en ze verklaarden dat ze het heel interessant vonden. Van mijn kant kreeg ik sterk de indruk dat mijn versie van het begrip gezond verstand niet hoog scoorde in dit gezelschap.

Nou, zei ik, toen ik mijn verhaal had beëindigd. Nu zijn jullie aan de beurt. Hoe vaak zullen we een vergadering houden om dit ziekenhuis weer op de rails te krijgen.

Iedereen keek verschrikt uit het raam.

Handen omhoog, zei ik, triomferend. Een maal in de week?

Geen handen.

Twee weken?

Geen handen.

Uiteindelijk zei er iemand, die ik herkende als een van de grootste klagers van het hele stel: Ik dacht eigenlijk meer aan…nou ja, bijvoorbeeld eens in de maand.

Als we eens in de maand vergaderen, verandert er hier nooit iets, zei ik vriendelijk.

Toch lijkt me eens in de maand wel voldoende, zei mijn klager.

Daar was een meerderheid het mee eens.

Ik stond op het punt om te gaan zeggen dat dat voldoende reden was voor mij om op te stappen, toen iemand plotseling het idee opperde om een werkgroep te formeren, die eens per week samen zou komen en die voorstellen zou voorbereiden voor de algemene maandelijkse vergadering.

Verdomme. Ik hoopte dat er geen kandidaten waren, maar Jasper ging aan het leuren en hij vond zowaar een paar sukkels die geen nee konden zeggen. De perfide seriemoordenares dr. M., de alcoholistische dr.L., de gezellige, maar totaal onbetrouwbare dr. K., en nog zo een paar.

Of ik ook geen zitting wilde nemen?

Dit ging helemaal de verkeerde kant op.

Ja, zei ik.

Ik kon moeilijk nee zeggen.

Er werd afgesproken dat er de volgende donderdag werd vergaderd.

Ik hoorde niets meer van de vergadering, die week. Ik ga de kar niet trekken, dacht ik. We wachten af. Aan de andere kant kon ik mij ook niet drukken, anders zou het mijn schuld zijn dat er niet werd vergaderd. Donderdag, de dag van de voorgenomen vergadering, besloot ik dus opzichtig aanwezig te zijn.

De dag werd gekenmerkt door twee opmerkelijke en een groot aantal niet opmerkelijke feiten. Opmerkelijk feit nummer een. De hal, waarin het ochtendrapport werd gehouden, een groot, geheel betegeld en vrijwel geheel nutteloos gebouw, bleek ineens geheel voorzien van 200 splinternieuwe, neplederen bureau-stoelen. Aangezien er nooit meer dan 20 man op het ochtendrapport komen en de hal nergens anders voor wordt gebruikt, was dit wat overdadig. Gelukkig kon iedereen op de eerste rij zitten, want als je op rij twee, drie, enz. was gaan zitten, keek je alleen tegen de hoge, zwarte ruggen van de fauteuils voor je aan en zag je niets.

Kosten, mijn schatting: 10.000 dollar.

Het tweede opmerkelijke feit was dat het hoofd van het lab mij de hele dag achtervolgde met een smeekbede om geld voor het kopen van reagens voor diverse diagnostische machines, omdat het lab nu op geen enkele manier meer functioneerde. Er was geen bloed meer voor transfusie en bloed van familieleden-donors kon alleen op HIV worden getest. Het ziekenhuis had geen geld om andere testen uit te voeren. Geen cent. Echt niet. Ik had er -stommeling die ik ben - al 150 euro ingestopt, in dat lab, maar nu moest er weer 150 euro bij. Het draaien van het ziekenhuis hing van mij af, zei de manager, bijna huilend. Ik zei dat ze maar een paar stoelen moest gaan verkopen, op de markt.

Tegen enen begon ik mijn mede commissieleden op te zoeken, om een praatje te maken. Uiteraard herinnerde ik ze niet aan de vergadering. Zij herinnerden mij er ook niet aan, zo bleek, tot mijn grote genoegen. Tussen twee en drie zag ik al mijn mede commissieleden nog meerdere malen. Habari za kazi? kraaide ik vrolijk, wat is het nieuws van het werk? Niemand zei iets over de vergadering.

Om precies drie uur haalde ik opgelucht adem. Niemand had iets gezegd over de vergadering. Ik was vrij. Als zij te beroerd waren om iets te veranderen, waarom zou ik me druk maken? Ik kon met opgeheven hoofd naar huis.

Dat waren de opmerkelijk - niet alledaagse - feiten. Nu de alledaagse.

Ik geef een bloemlezing. Vier dagen eerder had ik, ten overstaan van de gehele staf, voor de zoveelste maal een uitgebreid betoog gehouden over de bizarre gewoonte om comateuze verkeers-slachtoffers met hersenletsel, binnen een uur na opname, ruggelings op hun bed vast te binden en via een neussonde vol te gieten met 1-2 liter (!) uji (pap). Ik schotelde de verzamelde staf met naam en toenaam, een recent opgenomen patient aan. Men nam zijgend notitie van mijn beleefde uiteenzetting.

Vier dagen na mijn tirade werd deze patient op bovenomschreven wijze om het leven gebracht (dus door death by porridge) als het zoveelste slachtoffer van deze krankzinnige praktijk, die in elk normaal land tot permanente verwijdering uit het register en gerechtelijke vervolging wegens dood door schuld zou leiden. Zoniet in Tanzania, daar heeft men zo zijn eigen ideeën over EHBO en men laat zich al helemaal niets wijs maken door een of andere gesjochte bleekneus. Dit is het vierde slachtoffer van de pappomanie, binnen drie maanden.

En, voor de liefhebbers, wat te denken van de nachtelijke opnames op de ochtendronde:

1. Een 24-jarige vrouw wordt opgenomen met 3 dagen diarree en braken. De dienstdoende arts meet de bloeddruk, hetgeen anders NOOIT gebeurt. De bloeddruk is 140/85. De diagnose luidt: ernstige hypertensie en ernstige malaria (!?). Het beleid bestaat uit 120 mg Lasix IV en Atenolol 100 mg 1 x daags. En, zoals altijd, IV quinine.

En dan deze:

2. Een 68-jarige vrouw wordt opgenomen met hoofdpijn, piekende koorts, duizeligheid, algehele malaise en kortstondig bewustzijns-verlies. Bij opname verward en koude rillingen. T. 40.5. Dit is nu echt eens een keer ernstige en vaak dodelijke malaria, zou je denken. Maar nee. Diagnose: flauwvallen. Beleid: thee met suiker, metronidazole, erythromycine (deze antibiotica doen uiteraard niets tegen malaria) .

En deze:

3. Een 46-jarige man met hoofdpijn en koorts. Bloedsuiker 17.9. (= hoog).Bloeddruk 180-130. Diagnose: hypertensie. Beleid: 5% dextrose, intraveneus, 3 liter in 12 uur. Atenolol 100 mg 1 x per dag, Paracetamol.

(Voor de niet medici onder ons: dit zijn drie regelrechte moordaanslagen).

Dit zijn de eerste de beste drie bedden van de dagelijkse ronde. Zo heb ik er een stuk of 40-50. Ik kan uren doorgaan. En dit gaat zo dag in, dag uit. Ik kan het bijsturen, omdat ik elke dag kom. Maar als ik er niet ben, dan wordt er regelmatig 5 dagen niet naar deze mensen omgekeken. Gelukkig voert de verpleging - uit slonzigheid - maar de helft van de orders uit. Niettemin vielen er met grote regelmaat doden. Nu niet meer, want ik houd de hele club goed in de gaten, zeven dagen in de week. Maar binnenkort begint de massamoord overnieuw. Over precies een week. Dan ben ik weg. En weet je…ze zoeken het maar uit.

Er was een tijd dat ik me daar druk over maakte. Er was een tijd dat ik dacht dat alle mensen broeders en zusters waren en dat we verantwoordelijk waren voor elkaar. Dat idee heb ik nog steeds, maar ik sluit daarbij wel de Tanzanianen expliciet uit. Die hebben een aparte status. Waarom? Wel, als de Tanzanianen er werkelijk zo gelukkig van worden om elkaar uit te moorden, met uji en onverbloemde stommigheid en desinteresse, wel, wie ben ik om er iets van te zeggen?

Er loopt op de kinderafdeling een verpleegster rond, die ik graag mag. Als een van de weinigen heeft ze enig idee waar ze mee bezig is, ze is consciëntieus en ze is er altijd. Al 28 jaar. Als ik weer eens een schokkerige en half-comateuze baby op de afdeling vind, haal ik mijn glucosemetertje te voorschijn en doe een bloedsuiker. De uitkomst is 1.5 en we halen het kind voor de hemelpoort weg.

Goh, zegt ze. ik wou dat ik zo'n ding had. Ik heb twee kinderen verloren omdat het lab er minstens 24 uur over doet om een bloedsuiker te meten.

Ik laat haar het verhaal vertellen. De eerste overleed aan keto-acidose en toen durfde ze de tweede niet meer blind suiker te geven. Die overleed aan een hypo. Dat laatste komt hier vaak voor, malaria-parasieten zijn gek op suiker en quinine verlaagt het gehalte.

Ik bezorg je er een, zeg ik.

Ik laat er metertje uit Mbeya komen, 350 km verderop. Het lieve mens is zo blij als een kind.

Misschien kan zij er evenveel redden als zij er heeft verloren.

Dit is voor het ziekenhuis, zegt ze.

Nee, zeker niet. Het is voor jou. Het is jouw metertje. Als je wilt dat anderen het gebruiken, prima, maar het is van jou. Met grote letters balpen ik haar naam op het etuitje.

Ze is er ontdaan van . Ik zelf ook een beetje. Dank aan de Stichting Tandoe.

Dat zo'n ding, kosten 30 euro, levensreddend werkt is duidelijk. De nachtarts neemt een diabeet op met braken en diarree. De bloedsuiker is, volgens het lab± 50.8. Ditmaal komt het lab ineens wel binnen de kortste keren in actie. De nachtarts schrijft klakkeloos 30 eenheden insuline voor. De nachtverpleging vergeet god zij dank om ze te geven, maar als ik voor mijn ronde kom staat de ochtendploeg klaar met de spuit. Wacht even, zeg ik en breng mijn metertje in stelling. Resultaat: 11.8. Alweer een moordaanslag verijdeld. De Stichting Tandoe redt levens.

Het weekeinde volgend op mijn ontslagname ga ik naar Kasanga aan het Tanganyika meer. Het is een van de mooiste plekken op deze wereld. En het is volmaakt onbedorven. Aan de 700 km lange oostkust zijn niet meer dan een vier of vijf minuscule kleine hotels. De kust is maar op vier plaatsen bereikbaar via vrijwel onbegaanbare wegen. Stranden, kleine, landerige vissersdorpen, vrouwen wassen hun kleren en de vaat in het meer, naakte kinderen plassen wat rond in de golfjes, bergen, gigantische watervallen, apen slenteren rond je huis, hippo's drijven log in de branding.

Mariama wil mee. Ze wil na drie jaar eindelijk een dag zonder haar 10 kinderen. Prima. Maar als we op het punt staan te vertrekken bedenkt zij dat zij de kleine Josef van 6 maanden niet thuis kan laten. De stakker heeft malaria en de oppas zal hem zijn spuiten niet geven. Maar als Josef mee moet, dan moet Stella mee, want die kan op Josef passen. En als Stella meegaat, dan moet Lisa mee, want anders is Stella alleen. En de kleine Christina, die is zo aan Josef gaan hechten, nou ja die moet dan ook maar mee. Maar als Christina mee gaat, dan moet Immanuel ook mee, want die twee zijn eigenlijk onafscheidelijk. En dan begint Kastori heel erg te huilen omdat hij niet mee mag, dus die moet dan ook maar mee. Uiteindelijk blijven er 4 thuis, met drie oppassers. En ik zit met een wagen vol grut.

God zij dank zijn het voorbeeldige kinderen. Ze dreigen de boel onder te braken, door al dat hotsen op de zandweg vol kuilen en stenen, maar Mariama leert ze uit het raam te kotsen en in allerijl aangeschafte plastic zakken en zo komen we na vier uur hotsen (110 km) heelhuids en groen en geel van ellende aan. Voor de goede orde, Ibrahim en de technicus van het ziekenhuis zijn ook mee en het is een prachtige rit door de bergen, in het hart van Afrika en de zon schijnt en het leven is goed.

's Avond, in het prachtige hotelletje, bespreken we het ziekenhuis. Bij kaarslicht. Van elektriciteit heeft men hier nog nooit gehoord. De technicus heeft leuke inzichten in het reilen en zeilen van het ziekenhuis. De hal vol Leen Bakker stoelen blijkt naar liefst 64.500 dollar te hebben gekost. In Dar koop je al dat spul voor nog geen 10.000 dollar, zegt Manuel, de technicus. Waar is de rest van het geld gebleven? Hij weet er nog een: een jaar geleden is er een nieuwe wardi bijgebouwd, 40 kamers voor privé patiënten. Het gebouw is, net als vrijwel alle nieuwbouw, nog altijd niet af. Het komt vermoedelijk ook nooit af. Het geld is op. Bovendien zijn er nauwelijks privé-patienten. Mensen met geld gaan niet naar dit ziekenhuis, zegt Manuel. Ze worden ergens in een kamertje gestopt en daar liggen ze tot ze dood gaan. Niemand kijkt naar ze om. Dat is algemeen bekend. Dus gaan ze direct naar een echt ziekenhuis, 350 km verderop. Desnoods met een helikopter.

Maar raadt eens wat: onlangs werd ik geroepen om te verifiëren of de 40 TV toestellen die waren aangeschaft voor de niet nog bestaande kamers het wel deden.

Ik vroeg om de rekening om te kijken of de specificaties klopten. Iemand was zo dom om de rekening te laten zien. Het ging om 40 kleine, ouderwetse Chinese toestelletjes, die je in Dar met gemak voor 100 dollar kunt kopen . De rekening bedroeg 40.000 dollar. Waar is de rest van dat geld?

Goeie God, zeg ik. En bij mij komen ze zeuren om een paar honderd dollar om het laboratorium aan de praat te houden. En ik koop me een ongeluk aan medicamenten voor de straatarme patiënten.

Koop jij medicamenten? Voor de patiënten, vraagt de technicus.

Ja, regelmatig. Het ziekenhuis heeft ze niet.

Natuurlijk heeft het ziekenhuis ze wel. Maar het grootste deel wordt verkocht, naar Zambia, naar de Kongo. Zelfs naar de apotheken in de stad. Als de vrachtwagen van de regering de klinieken in de regio gaat bevoorraden, dan moet er een comité van oudsten van het dorp nagaan of de leverantie wel klopt. Maar de chauffeur heeft een krat flessen Konyagi (het lokale sterke brouwsel) bij zich en wat briefjes van 10.000 (5 euro) en daar zijn die oudsten, die sowieso niet kunnen lezen of schrijven, heel gelukkig mee. En dan gaat de auto, met medicijnen en al en met getekende papieren terug naar Sumbawanga, waar de boel wordt versjaggerd.

Op de weg terug blaas ik weer eens een band op. De nieuwe, Chinese pneumatische krik die ik onlangs kocht begeeft het en we wachten een uur langs de kant van de zandweg, totdat er een vrachtwagen voorbijkomt die ons uit de brand redt. Wat dorpelingen staan zwijgend en lachend rond de Prado te kijken naar ons bonte gezelschap.

Kijk, zegt de monteur. Dit is nou ook Tanzania. Dit moet je niet overkomen aan de overkant van het meer. In de Kongo. Daar mag je blij zijn als je er levend af komt. Hier geven ze je desnoods onderdak als er niemand voorbijkomt om te helpen.

En zo is het.

Op de dag dat ik vertrek stort er een vliegtuig neer in Sumbawanga airport. Sumabawanga heeft echt een airport. Er is een landingsbaan van 1.250 meter. Niet geasfalteerd, maar toch. Er is een heel klein terminalletje, met een stok er voor met de nationale vlag er aan vast. Er achter is een klein hokje met twee deuren, een voor dames en een voor heren. Dat is Sumbawanga Airport. Er komt eens in de twee weken een vliegtuigje, met Hoge Mieters van de regering, die geen zin hebben om twee dagen over de zandwegen te hotsen.

Een van deze Hoge Mieters had een been gebroken en moest nu hals over kop per vliegtuig worden geëvacueerd. Met een dokter, want dat schrijft het protocol voor. Dus kwam er een Cessna 5-seater uit Dar. De Hoge Mieter en de dokter gingen aan boord, het vliegtuigje steeg op maar dat lukte niet echt en dus probeerde het weer te landen. Helaas was de landingsbaan net te kort en dus dook het in het zand aan het einde er van.

Omdat ik hier doorga voor de Accident & Emergency deskundige moest ik mee met de ambulances om de slachtoffers op te halen. Belangrijk. Dus stoven we met z'n allen de landingsbaan op, een hele stoet Landcruisers met rode kruizen en GARI WA WAGONGWA erop geschilderd en stopten met gillende sirenes tussen de verzamelde menigte rond het wrakje van het lullige vliegtuigje. Duizend inmiddels aldaar verzamelde kinderen staarden ons verbijsterd aan.

Het viel allemaal nogal mee. De piloot en de dokter stonden wat beteuterd te kijken, omgeven door politiemannen met lichtgevende hesjes. De Hoge Mieter lag op de grond, toch wel een beetje ontdaan, met zijn gegipste been. Hij had rugpijn. Het vliegtuigje was intact, het lag wat zielig en scheef in een zandhoop, als een groot, halfdood insect. Het had een van zijn wielen verloren en de propellers waren verbogen.

De late namiddagzon scheen op de brede, haast onafzienbare vlakte van de zanderige landingsbaan. De voddige en groezelige kinderen stonden zwijgend toe te kijken. Hier en daar blikkerde een glimlach in een zwart gezicht. Er heerste een vreemde, serene stilte. De wereld had op dat moment kunnen ophouden met bestaan. Het was een mooi en waardig einde geweest.

Vandaag was mijn laatste dag. Een dag of wat geleden zijn er wat vijfdejaars studenten gekomen van de medische school van Arusha. Op stage. Er is daar een groot missieziekenhuis, dat uitstekend bekend staat. De studenten zijn goed opgeleid en uiterst kritisch. Ze staan met verbijstering te kijken hoe het allemaal toe gaat, in Sumbawanga. Na een paar dagen geven ze hem van katoen op het ochtendrapport. Het zijn uiteraard exact dezelfde punten die ik al maandenlang aan de man probeer te brengen.

Ik zit er een beetje lachend bij te kijken.

Ja…, ja…, zegt Jasper, als ze klaar zijn met hun ongezouten kritiek, we zouden er eigenlijk een vergadering over moeten beleggen.

Even den ik dat ik het er maar bij laat. Ik ben moe. Maar dan sta ik op.

Die is er net geweest, zeg ik, die vergadering. En je was er zelf bij Jasper, bij die vergadering. Jullie waren er allemaal bij. Het resultaat was dat niemand, maar dan ook werkelijk niemand, ook maar enige interesse had om deze volslagen chaotische puinhoop op wat voor manier dan ook te veranderen.

Ik heb drie maanden lang, met man en macht geprobeerd om er iets van te maken, maar je loopt hier tegen een betonnen muur van onverschilligheid en desinteresse aan. Ik wens jullie veel succes. Laat het vooral jullie liefde voor dit vak en jullie goede moed niet aantasten. Zolang jullie er zijn ben ik er redelijk gerust op dat er in elk geval minder ongelukken gebeuren. Maar als jullie weg zijn begint het grote sterven hier overnieuw. En, eerlijk gezegd, zal het mij een zorg zijn…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten