zondag 12 september 2010

VOETSTAPPEN

Vandaag dan toch maar naar dat Nationaal Museum. Waarom?

Kijk, er zijn twee soorten musea. Er zijn instituten als het Rijks, het Guggenheim, het Louvre, de Hermitage. Drommen toeristen slepen zich in devote aanbidding langs de must-have-seens van de mondiale erfenis, begeleid door de onvermoeibare apostelen van het artistiek bewustzijn, die hun bloemrijke perspectieven heldhaftig slijten aan hun uitgeputte volgelingen.

Mij niet gezien in dat soort tenten. Hoofdpijn.

Nee, geef mij maar een verlaten villa, in een achteraffe stad, waar een slaperige oude dame de relieken beheert van een vergeten mini-maatschappij. De tas en de tangen en van de onvergetelijke dorpsdokter, de blikken trommels van de lang ter ziele gegane kruidenierswinkel, de doopjurk van het kind van de dominee, die het ooit tot burgemeester van Deventer of Leeuwarden bracht. Foto's van nietszeggende, lang vervlogen notabelen, opgedirkt in witte boorden, moedig starend naar de camera obscura. De zachte pijn van verloren jaren, van gewone mensen die kwamen en gingen. Van indrukken die bij toeval achterbleven, vage foto's van zomermiddagen met overdrijvende wolken-velden en spelende kinderen in lang verdwenen parken.

Dat soort musea, daar lust ik wel pap van.

Gelukkig behoort het Nationaal Museum van Tanzania tot de tweede soort. Het is een heel gebou-wencomplex, het Nationaal Museum, maar uiteindelijk blijkt het maar een paar zalen te bevatten. De benedenverdieping is gewijd aan de geschiedenis van Tanzania. Dat wordt smullen. Roestige zwart-wit foto's van heldhaftige sultans, geflankeerd door hun ernstige en wat schrikachtig kijkende getrouwen, die ooit de wapenen opnamen tegen de gehelmde Duitse kolonialisten. Diezelfde sultans, later, in ketenen, het vuur in hun ogen uitgeblust, gelaten wachtend op hun executie, nadat hun speren en hun antieke vuurkracht het af hadden moeten leggen tegen die van Der Kaiser c.s. Maar ook een borstbeeld van de besnorde Duitse bioloog, die 20.000 hennepplantjes liet komen uit de US, waar er uiteindelijk maar 10 van overleefden, maar die desondanks de sisalcultuur van de grond kreeg. Dr. Livingstone ontbreekt niet, de arts -missionaris die zijn leven weidde aan de "ontdekking" van Afrika en aan een niet aflatende strijd tegen de slavenhandel. En Stanley, de man die hem, na zijn "verdwijning" opspoorde in opdracht van The New York Herald, "midden in donker Afrika" . "Mr. Livingstone, I presume?" Stanley was een overigens een boef van een veel minder allooi dan de integere en menslievende man die hij vond aan de oever van Lake Tanganyika. Stanley legde - met behulp van forced labour een groot deel van de Congo open voor Leopold II van Belgie, die het gebied uiteindelijk tot zijn privé bezit verklaarde en er een van de grootste massamoorden uit de geschiedenis van de mensheid op touw zette.

Zo moeilijk was het trouwens niet om Livingstone te vinden. Je stelt je zo voor dat Stanley, zich een weg hakkend door duizenden kilometers ondoordringbaar oerwoud, plotsklaps, als door een wonder, Livingstone aantreft bij een geïmproviseerde barbecue. Maar de standaard route vanaf de kust, door goed begaanbare savanne werd al eeuwenlang zwaar bereisd door de goudzoekers en slavenhalers van die tijd. Iedereen langs de kant van de weg had de mzungu dokter voorbij zien komen. Die kant op Stanley, je haalt hem vast nog wel in!

Na de dikkoppige Duitsers, met hun Kaiser Wilhelmsnorren, komen de Engelsen. Smalle gezichtjes, kleine brilletjes, grijze snorretjes, wat minzamer misschien, maar dezelfde "beschavingsmissie", dezelfde arrogantie. Warme zomermiddagen, grasvelden voor koloniale villa's, wapperende kanten hoeden en rokken, gesteven boorden, tropenhelmen, halflange khaki broeken en kniekousen. Tanzanianen brengen verfrissingen rond in hun witte tunieken. Het leven was goed. De kleinzoon van de sultan mocht inmiddels ook aanschuiven.

Dan de onafhankelijkheid. Foto's van de jonge Nyerere, die een menigte verward kijkende landgeno-ten wijst op de mogelijkheid, nee, de noodzaak van onafhankelijkheid. Diezelfde Nyerere, een paar jaar later, 1961, samen met de governor-general op de weg naar de machtsoverdracht. The governor, het levende symbool van het verleden, tragi-komisch in zijn bizarre uniform, wit gehandschoend, van top tot teen behangen met tressen, medailles, degens, sterren, het geheel bekroond door een potsierlijke helm met wuivende struisvogelveren. De opgedirkte paljas van een stervend wereldrijk. Daarnaast Nyerere, de toekomst, toen al in een Mao-tuniekje, een toonbeeld van eenvoud en eerlijkheid, de hoop van een volk dat op het punt staat zijn waardigheid te herwinnen, de rijzende ster van een nieuw Afrika.

De volgende foto toont Nyerere's eerste kabinet. Tien ministers, waarvan drie Engelsen, waaronder de governer-general. De Engelsen zitten nota bene pontificaal in het midden op de voorste rij. Ze kunnen het echt niet afleren. Gesteven boorden, 3-D, brilletje, snorretje. De blikken zijn star. Maar misschien mocht je in die tijd nog niet bewegen, als je op de foto ging. Nyerere zelf zit een beetje aan de kant. De zeven overgebleven ministers zijn mogelijk alle intellectuelen die het land op dat moment bij elkaar kon brengen. Nyerere begon bij af.

Er is een zaal met weinig boeiende ethnografie. Er is een zaal met dode vissen en andere dieren.

En er is een zaal met voetstappen. Een hele zaal voor drie of vier voetafdrukken in klei. Giant steps for mankind? Jazeker. Zoals Neil Armstrong voetstappen op de maan zette in 1961, zo zette de mens zijn eerste voetstappen op aarde ooit op Tanzaniaanse bodem. En dat wil men hier weten ook.

Voor de liefhebbers is hier het verhaal.

Mary Leakey was de vrouwelijke helft van het beroemde en soms ook wel een tikkeltje beruchte Leakey echtpaar dat in Ethiopië het skelet vond van Lucy. Deze Lucy heette overigens, toen ze nog geen skelet was, naar alle waarschijnlijkheid geen Lucy. Ze heette helemaal niets. Het was zeer de vraag of er in Lucy's tijd namen werden gebruikt. Lucy werd waarschijnlijk voor het eten binnen geroepen met een grom of een brul. Lucy leefde 3 miljoen jaar geleden. Het is ook uiterst twijfel-achtig of Lucy er enig idee van had dat zij een specimen was van de soort Australopithecus Afarensis, een aapachtig dier waarvan een nakomeling, Mary dus, 150.000 generaties later, met een borsteltje en een schepje haar skelet zou opgraven en haar wereldberoemd zou maken.

Diezelfde Mary deed in 1976 nog een verrassende ontdekking. In Noord Tanzania vond zij een paar voetafdrukken. Op zich niet wereldschokkend, veel Tanzanianen gaan blootsvoets. Maar Mary kon bewijzen dat deze voetafdrukken waren gemaakt in een 3.6 miljoen jaar oude vulkanische aslaag, die daarna met nieuwe as was bedekt en bewaard was gebleven. Meer recente erosie bracht de voet-stappen opnieuw aan het daglicht, waarop Mary ze vond.

De vraag was: waren dit voetafdrukken van mensen. Waren dit de eerste voetstappen van het soort dat duizenden millennia later niet alleen het World Wide Web uitvond, maar zover was geëvolueerd dat het over een drukknop beschikte om al die 3.6 miljoen jaar evolutie binnen in enkele seconden teniet te doen.

Spannend.

Wat onderscheidt de mens van de aap, zijn naaste verwant. Het antwoord is al met al toch nog lach-wekkend gecompliceerd. Natuurlijk, wij hebben meer hersenen, maar de structuur ervan is vrijwel hetzelfde. Wij gebruiken onze handen, maar dat doen apen ook. Wij kunnen lezen, apen ook een beetje. Wij hebben taal, apen ook, al is het rudimentair. Apen hebben zelfs gevoel voor humor, mogelijk meer dan velen van ons. In elk geval meer dan de meeste SP'ers. Of Vladimir Poetin.

Evolutionair gesproken is de vraag echter niet die naar het onderscheid, want dat is er beslist wel, maar naar het punt waarop de evolutionaire weg zich splitst: waar staat er een bordje: mens rechts, aap links. (De politieke implicaties van dit plaatje zijn geheel voor mijn rekening). Is het op het moment dat er instrumenten worden gemaakt en gebruikt? Is Homo Habilis de eerste mensachtige? Apen gebruiken overigens ook instrumenten, al ontbreekt de systematiek een beetje. Is het taal-gebruik? Is Homo Sapiens onze echte voorloper? Mogelijk, maar het begin van taalgebruik is niet te achterhalen. Nee, uiteindelijk hebben wij min of meer besloten dat het allemaal is begonnen met lopen op de achterpoten, m.a.w. rechtop door het leven gaan. Apen kunnen dat ook, maar enkel een klein stukje, een beetje waggelend, het is eigenlijk geen gezicht. Nee, rug recht, schouders naar achteren, kop op, apen van Jan de Wit.

3.6 miljoen jaar geleden slenterde er dus door die die aslaag van de Olduvai Gorge in Tanzania een klein gezelschap, waarschijnlijk drie man sterk. Pa ging voorop, Moe er achteraan, deels in de voetsporen van Pa. (In sommige delen van de wereld is er weinig veranderd). De kleinere voetstap-pen er naast moeten van Zoon of Dochterlief geweest zijn. De officiële naam voor hun slentergedrag was "small-town gait". Het is een ontroerend beeld.

Maar hoe weten we nu dat ze rechtop liepen? Want we hebben alleen maar voetsporen. Wel, om te beginnen waren er geen knokkelsporen. Ze liepen dus niet als gorilla's, steunend op hun vuisten. Critici, want om een discipline als paleontologie aan de praat te houden heb je critici nodig, merkten op dat gorilla's ook wel eens een stukje op hun achterpoten lopen, mogelijk zelfs gezinsgewijs. Als de familie, laten we ze maar even de Jansens noemen, in aanmerking wilde komen voor stamvader/ moeder status, dan moesten ze natuurlijk niet bij de eerste de beste gelegenheid weer in hun oude viervoetergedrag terugvallen. Nee, fier rechtop en onvervaard, als echte proto-Hollanders.

Om rechtop te lopen, zou een botje in de voet, het os naviculare, op een bepaalde manier gevormd moeten zijn. Zo zou er een holvoet ontstaan en die zou dan duiden op rechtop lopen. Nu zijn er twee moeilijkheden: ten eerste hebben wij geen os naviculare van Lucy. En we gaan er min of meer van uit dat de Jansens, evenals Lucy Austropithecus Afarensis waren, ook al zijn Lucy en de voetstappen meerdere duizenden kilometers van elkaar verwijderd gevonden. De Australopitecussen moeten dus heel wat af hebben geslenterd met hun small town gait. En ten tweede: de Jansens hadden duidelijk platvoeten. Balen.

Geen nood, zeggen de paleontologen, vandaag de dag heeft Jan en Alleman platvoeten en je kunt er prima op lopen, met of zonder inlegzooltjes. Bovendien hadden de Jansens niet opponeerbare grote tenen, die in de lengterichting van de voet lagen; een duidelijk teken van tweebenigheid.

Weer andere paleontologen beknibbelen op het gezinsleven van de Jansens. Het nucleaire gezin, zo zeggen zij, is het resultaat van de postindustriële collaps van de extended family. Het is niet het oorspronkelijke samenlevingsverband van de mens. Die leefde in roedels. Het gezinnetje, zeggen deze querulanten, de Jansens dus, als familie, als idee, zijn een uitvloeisel van het 19e eeuwse kapitalisme en dat bestond 3.6 miljoen jaar geleden nog niet. Althans, dat mogen we aannemen. Met andere woorden, het beeld van een gezinnetje, dat, al slenterend, de eerste, bijna symbolische schreden zet op weg naar full HD TV en The Electronic Highway is een zielig stukje romantiek, ontsproten aan het brein van de redactrice van Libelle. Aha!

Het museum hangt overigens vol met fraai geschilderde afbeeldingen van reconstructies van de Jansens. Hoe je uit een voetafdruk een afbeelding van een mensaap kunt reconstrueren is mij ondui-delijk. Bij de rechtbank zouden ze je niet serieus nemen. (Behalve in Nederland). In elk geval had men van het uiterlijk schoon van de Jansens geen hoge pet op. Zij lijken nog het meest op de gemiddelde bezoeker van de Bunnik-zijde van het stadion van FC Utrecht, maar dan nog iets behaarder en zonder Nikes en racistische T-shirts. Australopitecus Hooligonensis.

Maar goed, we willen nu eenmaal graag dat het daar is begonnen, dat de mens daar de eerste stappen heeft gezet van zijn grote, onafzienbare zwerftocht, eerst zich verspreidend over de aarde, toen naar de maan en als het aan Barak Obama ligt binnenkort naar de rest van het zonnestelsel of de rest van de Milky Way. Wij willen nu eenmaal graag dat er van alles een eerste is. Het eerste vliegtuig, de eerste radio, de eerste barbie-doll, Chantal's eerste stapjes op video, de eerste stapjes van de mens in de as van Laetoli.

En we willen ook graag precies weten wanneer het was. Als het even kan op de dag af. 12.000 jaar geleden, op 4 april, om 13.35 staken de eerste Jansens de Beringstraat over op weg naar Patagonie. Over zoiets kun je heel lang ruzie maken. 20.000 jaar geleden? 30.000 jaar? Wie kan het in vredesnaam iets schelen.

Er komt een museum, speciaal voor de voetstappen van Laetoli, platvoeten of geen platvoeten. Ter plekke,waar ze zijn gevonden, in Laetoli. De UN zal het wel betalen. Of de Denen, die zijn gek op cultuur. Het museum krijgt de vorm van een voet. Met tenen. En misschien wel met een inlegzooltje.

Buiten staat, onder een vervallen afdak, de geschiedenis van Tanzania in auto's. De Rolls van de Governor, de Rolls die Nyerere, na de onafhankelijkheid, kado kreeg van The Queen. Niks voor Julius, die reed liever in een krakkemikkige Morris Minor. Uiteindelijk, na zijn aftreden, kreeg hij toch nog een mooie witte Mercedes kado. Daar is hij uiteindelijk, in 1999, veertien jaar later, mee naar de regerings-jet gereden die hem naar Engeland vloog, om zijn leukemie te behandelen. Hij is nooit terug gekeerd. De auto's staan er verloren bij. En een beetje roestig. Een klein beetje als de erfenis van Julius zelf. Trots en van goede wil. Maar starten doen ze niet meer.

Als ik buiten kom loop ik de conservatrice van het museum tegen het lijf.

Toch wel indrukwekkend zeg ik. Die afdrukken. En dan te bedenken dat het allemaal hier is begon-nen, met de mensheid. Eigenlijk zijn wij allemaal Afrikanen.

Ze lacht.

Ja, en het is een wonder dat ze het zolang hebben uitgehouden hier, zegt ze. Het heeft een paar miljoen jaar geduurd voordat de mensheid de rest van de wereld is gaan verkennen. En toen ze daar aankwamen hebben ze zich toch een stuk sneller ontwikkeld dan de Afrikanen.

Vindt je?

Het lijkt me wel. Kijk om je heen.

Hmm, zeg ik. Daar kun je verschillend over denken. Een paar mensen hebben ooit het buskruit uitgevonden. Die woonden toevallig niet in Tanzania. Als dat wel zo was geweest, was het misschien anders gelopen. Afgezien daarvan is er genoeg beschaving ontstaan, tussen Cairo en Kaapstad. Het ligt er ook maar aan wat je beschaving noemt. Er zijn voldoende grote en belangrijke culturen geweest in Afrika, de afgelopen duizenden jaren. Ook in "donker" Afrika. Alleen zijn ze nooit op schrift gesteld. Maar dat geldt bijvoorbeeld ook voor de Inca's. Aan de andere kant zijn er grote gebieden,zelfs hele continenten, waar nooit zogenaamd hoogstaande culturen zijn gevormd, zoals Noord-Amerika. Daar hoor je niemand over. Het idee dat juist Afrika, en alleen Afrika een land was van primitieve wilden, dat alleen door contact met de Arabische en de Europese cultuur en beetje is opgebloeid is even onjuist als absurd. Het is grappig dat ik hier, als blanke, Afrika moet verdedigen tegen de Afrikanen, zeg ik glimlachend.

Doe je best, antwoordt ze, met een al even stralende lach. Je zult niet veel Afrikanen aan je kant vinden.

We praten er nog een keer over, zeg ik lachend.

0 reacties:

Een reactie plaatsen