Van mijn kant haal ik haar op uit Mbeya, 350 km rijden van Sumbawanga over een van de slechtste doorgaande zandwegen van het land. Dan hoeft ze niet met de zelfmoord bus.
Ik was van plan zelf te rijden, met de Prado, maar de ziekenhuisauto blijkt die dag ook naar Mbeya te moeten. Een van de artsen gaat met zijn familie naar Dar. De ziekenhuisauto brengt hem naar Mbeya. Gechauffeerd door de ziekenhuischauffeur. Diesel op kosten van het ziekenhuis. Ik vraag maar nergens naar.
Of ik ook mee wil rijden. Kan ik gelijk de volgende dag mee terug. Met Marjon. Hij gaat toch, die auto. Waarom met twee auto's rijden en zelf sturen. Bovendien geeft de plaatsvervangende Regional Medical Officer bereidwillig zijn OK. Dus waarom niet?
De auto vertrekt met de gebruikelijke vertraging, ditmaal 3.5 uur. Maar dan moet de vrouw van de dokter nog ergens haar bril ophalen, en er moet water worden gekocht en koekjes, etc. dus het wordt krap en ik wil niet dat Marjon, in het donker, alleen op het slecht bekend staande busstation van Mbeya aankomt, voordat ik er ben. Mijn bezwaren dienaangaande worden echter weg gewoven en we zetten er de pas in. Maar eerst moet de dokter nog even het logboek van de chauffeur teken-en. Sumbawanga-Mbeya-Sumbawanga: 700 km. De dokter, ingeklemd tussen zijn vrouw en kroost kijkt eens naar het boek en dan schielijk naar mij zegt: eh…teken jij maar. Ik kijk eens naar hem en naar de chauffeur, die er wat verlegen bij zit. Maar wat kan mij het schelen: ik teken en iedereen haalt opgelucht adem. Ik ben nu lid van de coterie van de kleine corruptie. Dat schept een band. Ik ben nu een beetje Tanzaniaan. Ik hoor er nu echt bij. Het geeft iedereen een goed gevoel en als een man gaan wij op stap.
Dank zij enige onthutsende stuurmanskunst van de kant van onze chauffeur komen wij uiteindelijk toch nog precies gelijk met Marjon aan. Met behulp van onze telefoontjes zoeken wij in het donkere, regenachtige busstation tussen de grote, deels nog grommende, bontgeverfde bussen. naar een mzungu vrouw met veel koffers En daar is ze dan. Na 56 uur reizen, Marjon in het hart van Afrika. De lieverd.
De volgende dag stuurt de chauffeur ons met een feilloze roekeloosheid naar Sumbawanga, terwijl wij liefdevol en angstig elkaars hand vasthouden op de achterbank.
Sumbawanga is een stad van 100.000 inwoners met evenveel attracties als Appelscha in de jaren vijftig. Er is een hoofdstraat met een overdekte markt met piepkleine kraampjes, waar uitsluitend producten van twijfelachtige kwaliteit worden verkocht, alsmede het lokale aanbod aan landbouw-gewassen en dode dieren. Verder zijn er hier en daar, in de zanderige zijstraatjes nog wat groezelige winkeltjes ter grootte van de gemiddelde Nederlandse badkamer. De "supermarkt", trots genaamd Islam Pick 'n Pay (alcoholvrij) is even groot als een halve Hollandse huiskamer. Er zijn drie disco's waar elk weekend dezelfde band optreedt. Verder in een zijstraat nog wat terrasjes met plastic stoelen. En er is een weeshuis.
Omdat ik vermoed dat het weeshuis de meeste kans biedt op vermaak voor Marjon heb ik gereser-veerd in het hostel van de katholieke kerk. Van daaruit kan ze het weeshuis lopend bereiken. Het is een groot gebouw, dit hotel, waarin een aantal kale hokken, die misschien ooit gediend hebben om paters en zusters in te peperen dat het paradijs niet van deze aarde is, maar die nu als een soort hotel fungeert. Wij hebben een suite: een kamertje met een bed en een tweede kamertje met een tafeltje en twee vijftiger jaren leunstoelen en elk met een peer aan het plafond. Maar Marjon maakt dit hok, net als ze met al mijn andere behuizingen in den vreemde heeft gedaan, met behulp van lap-jes en frutsels en andere kunstgrepen tot een gezellig onderkomen. De lieverd.
En ik heb mij niet vergist. We bezoeken het weeshuis en als ze de schier eindeloze rij van matig ver-zorgde en liefde tekort komende schatjes een voor een in haar armen neemt, zie ik de vertedering en de verontwaardiging strijden om voorrang in haar welgevormde gemoed. De schatjes zijn overigens wel gewend aan dit soort bezoekers: ze weten dat ze snel weer verdwijnen en storten zich dan ook als hongerige dieren op hun tijdelijke bronnen van affectie en genegenheid. Het wordt de meeste mzungu's dan ook al snel te veel. Maar niet Marjon. Marjon heeft een strategie. Marjon besluit om zich op een kind tegelijk te richten, omdat met 70 stuks tegelijk de affectieve spoeling wat al te dun wordt. Een eind verderop woont Marianne, een Duitse middelbare vrouw, die negen kinderen heeft geadopteerd. De dames kunnen het goed vinden en Marjon maakt van het huis van Marianne haar operationele basis. Dan zoekt ze er een uit.
En laat het dan maar aan Marjon over om de treurigste, meest onderkomen sukkel van het hele weeshuis op sleeptouw te nemen. Op de een of andere manier ziet ze kans het wurm te ontfutselen aan de greep van de strenge, in blauwe habijten getooide nonnen en mee te nemen naar het huis van Marianne. Daar wijdt zij zich in alle rust aan de education sentimentale van haar treurende pupil.
Ik vind haar daar dus op een middag, met op haar schoot een zodanig onderkomen stuk mensheid dat de tranen je, in eerste instantie althans, in de ogen schieten. Het is een zwart jongetje, met een bol koppie waarop hier en daar wat rood, flossig haar groeit. Hij is zo slap als een vaatdoek. Volgens mij heeft hij een of ander syndroom. De blik in zijn ogen is er een van kosmisch verwijt en intense teleurstelling. Al het leed van Afrika rust op zijn schouders. Er kan geen lachje af. Het jongetje is pas 10 of 11 maanden oud, maar nu al is hij hartstochtelijk bezig met zijn rol van de grote gedupeerde: hij kijkt de wereld in als de met pijlen doorboorde martelaar St. Sebastiaan. De andere babietjes staan kraaiend van de pret in hun bedjes als de mzungus langskomen, maar dit "geval" is de vleesge-worden, pathetische zieligheid. Hij is het ultieme weeskind. Alleen op de grote, boze wereld.
Marjon vindt hem geweldig. Hij hangt lusteloos tegen haar niet onaanzienlijke boezem (daar kan ik hem dan weer geen ongelijk in geven) en schijt zijn broek vol. Verder doet hij niets. Hij heet Innocen-te. Ik heb een hekel aan hem. Ik vind hem een akelig, pathetisch ventje.
OK, het is natuurlijk lullig voor hem dat zijn pappie en mammie het loodje hebben gelegd. Maar, fluis-ter ik hem toe - terwijl hij de slaap der onschuldigen slaapt in de armen van zijn tijdelijke moeder - ik heb mijn halve jeugd in weeshuizen doorgebracht en ik was - technisch gesproken - niet eens een wees. Denk daar maar eens over na. Het was er overigens best gezellig, in die weeshuizen. Er was meestal te weinig personeel om je elke dag een pak op je mieter te geven en er waren altijd anderen om de schuld te geven als er iets verkeerd ging. En niemand miste je als de vaat moest worden ge-daan. Misschien was je vader wel een dronkelap geworden en je moeder een hardhandige kenau. Of als je een eindje verderop was geboren hadden ze een kindsoldaat van je gemaakt. Dus houdt op met het kind van de rekening te spelen. Ik heb je wel door, zo klein als je bent, je hengelt naar medelij-den en georganiseerde hulp. Je bent een echte Tanzaniaan.
Dit soort peptalk hakt er toch wel in bij Innocente. Na een paar dagen zit hij zelfstandig op een kleed op de grond en probeert met een lepel op de waterkoker te meppen. Dat vindt hij kennelijk grappig en hij probeert een zuur lachje. Vervolgens probeert hij de stekker van het apparaat in het stopcon-tact te duwen. Hij kijkt erbij alsof hij van plan is zich demonstratief te elektrocuteren, teneinde zijn onzegbaar lijden te bekorten, maar toch , het duidt in aanleg op technisch vernuft, hetgeen de ge-middelde Tanzaniaan niet van nature eigen is. Ik krijg iets meer - maar altijd nog weinig - sympathie voor hem en koop een fles vitamine B siroop, omdat ik denk dat hij nicotinamide tekort komt. Dat spul lust hij niet. Hij wil een onderkomen, gesjocht weeskind blijven en geen lachende, joviale Afri-kaan met drie nekplooein. OK. Dan maar niet.
Marjon sjouwt de hele dag met hem rond. Ze struint de markt af en koopt tweedehands kleren uit de Zak van Max voor de kinderen van Marianne en voor haar oogappel. Ze koopt overhemden en een winterjas voor mij. De vrouwen van de stad zwaaien en lachen naar haar en naar Innocente en leren haar hoe ze het kind beter op haar rug moet knopen. Innocente heeft de tijd van zijn leven als de martelaar van donker Afrika. Even voor de goede orde: de winterjas heb inderdaad hard nodig, want het is hier nog steeds steenkoud.
Onderwijl ben ik bezig in het ziekenhuis. Het ziekenhuis wordt deze maand verblijd met de tijdelijke aanwezigheid van twee Amerikaanse artsen: prof. "Skip" Feinstein, chirurg en prof. Grace Stewart, interniste, beiden van de Universiteit van Phoenix, Arizona. Dr. Skip komt hier al vier jaar achter elkaar een maand lang om te proberen de afdeling chirurgie - of wat daarvoor door moet gaan - op de rails te krijgen. Uiteraard volslagen tevergeefs. Hij heeft prof. Grace meegenomen om hetzelfde te doen met de afdeling interne - of wat daarvoor door moet gaan. Maar het zijn wel schatjes.
Dr. Skip vertelt mij hoe hij het jaar daarvoor zijn zoon had meegenomen, een van Amerika's beste trauma chirurgen en hoe deze zoon na een week had gedreigd zijn biezen te pakken. Hij was uitein-delijk toch de hele maand gebleven, hetgeen hem bijkant op een zenuwinstorting was komen te staan. Dokter Skip zelf is vast van plan dit patroon dit jaar niet te herhalen, maar na een week loopt hij al op hoge poten het ziekenhuis uit, luidkeels verklarend dat hij nooit meer terugkomt. Prof. Grace vergaat het niet beter.
Betere ondersteuning had ik mij niet kunnen wensen. Elke avond dineren wij met z'n vieren en ver-gasten wij Marjon en elkaar op de krankzinnige voorvallen die de onzegbare chaos van het ziekenhuis ons die dag heeft voorgeschoteld. Marjon heeft een ochtendje meegelopen met de ronde en ver-klaarde vervolgens dit geen twee keer mee te willen maken. Zij gaat er prat op dat zij ooit chirurgie-verpleegkundige is geweest in het beste ziekenhuis van Nederland. De verbijstering en de ergernis over de gang van zaken werd haar al na drie uur te veel. Na ons rondje schelden en kankeren kijken wij vervolgens gezamenlijk naar het WK. De Amerikanen liggen er al relatief vroeg uit, maar Oranje overleeft dankzij loopgraven-oorlog-voetbal en zo is het allemaal net uit te houden, zelfs al blijven de Amerikanen dreigen met op te stappen. Prof. Grace heeft meerdere voordelen: ze is kundig, niet verwaand, consenscieus en ze heeft op dag twee al een enorme aanvaring met dokter M., die zich daardoor verder de hele maand niet meer laat zien. Overigens blijft er zelfs dan genoeg onkunde, onwil, nalatigheid en slonzigheid over om ook prof. Grace aan de rand van een instorting te brengen.
Zelf ben ik het allemaal wel een beetje gewend, maar de chaos gaat mij toch ook niet in de koude kleren zitten. Op een dag begin ik een beetje te wiebelen en blijk ik een bloeddruk te hebben van 240 over 150. Oeps. Ik goochel wat met pilletjes en dan trekt het allemaal wel weer een beetje bij, maar het is een goede aanleiding om maar eens een paar dagen vakantie te gaan houden.
Welnu, dat kan, in Tanzania. De ambulance en de chauffeur van het ziekenhuis staan onmiddellijk ter beschikking om ons door een indrukwekkend berglandschap naar Lake Tanganyika te rijden waar wij worden gelogeerd in een paradijselijk complex van luxe semi-afrikaanse hutten aan het strand van dit onbeschrijfelijk grote en totaal onbedorven meer. Het is 700 km lang, 1400 m diep en 50 km breed en er komt vrijwel niemand, vooral omdat de kust maar op 4 plaatsen toegankelijk is over land en dat over de gebruikelijke belabberde wegen. Het is er adembenemend mooi. Aan de overkant zien de vaag de bergen oprijzen van het werkelijke centrum van Afrika, het verdoemde en ongelukkige heart of darkness, tegenwoordig de Demokratische Republiek Congo. Het demokratische aan de Congo is overigens hoofdzakelijk dat iedereen volstrekt gelijke rechten heeft om elkaar te vermoorden, te verkrachten, of te bestelen.
Het is vreemd en navrant om hier, in dit zogenaamde resort, een paar honderd meter buiten een straatarm dorp zonder elektriciteit of stromend water, in een enkel weekend even veel geld op te maken als een hele familie Tanzanianen in een jaar verdient. Badend in de weelde van solar power, gefilterd water, Europese keuken, inclusief ice-cream, hagelwitte lakens, cocktails, kaarslicht, geüni-formeerde bediening, etc. voel je je op een andere planeet. De hele bizarre anomalie wordt gerund door een stel alleraardigste en onpretentieuze Zuid-Afrikanen en vrijwel uitsluitend bezocht door mzungus die hier zijn om geld te verdienen. Veel geld. Australische olieboorders, Duitse telefoon-magnaten, Nederlandse wegenbouwers. Een eiland van orde en weelde in een oceaan van chaos en armoede. Natuurlijk, de Tanzanianen hadden het net zo goed kunnen hebben: de Zuid-Koreanen en de Maleisiers waren armer dan zij in 1961. Maar toch.
Veel tijd om vraagtekens te zetten heb ik niet, want ik heb mijn pillen vergeten en die hebben ze niet, aan deze oever van Lake Tanganyika. Nergens. Een aan de overkant al helemaal niet. Het is dus een beetje tobben met de bloeddruk, maar de romantiek maakt veel goed.
Aangesterkt rijden we terug naar onze noodlijdende kinderen, Marjon naar haar Innocente, wij drie-ën naar ons geliefde ziekenhuis. We hebben inmiddels een leuk winkeltje opgezet, een klein eigen koninkrijkje in de mini-staat. Het werkt als volgt. Skip is de meester van de acute buik. Hij heeft veel interesses, hij is uitgever, fotograaf en weet ik veel wat niet allemaal, maar niets windt hem zo op als wroeten in een bloederige poel met darmen en pus. Wij moeten dus op zoek naar acute buiken.
Nu is het in Tanzania zo dat men met het begrip "buik" (tumbo) nog wel redelijk uit de voeten kan, maar het begrip "acuut" is aan deze cultuur geheel wezensvreemd.
Wie de poort van dit ziekenhuis binnenkomt, wordt (afgezien van het feit dat hij alle hoop moet laten varen) ingedeeld in vier klassen: trauma, zwanger, malaria of DOA. (Het laatste betekent Dead On Arrival). DOA is het handigst, als je van te voren al dood bent scheelt dat het personeel een hoop actieve nonchalance en desinteresse - want ook dat kost energie als je het goed wilt doen. En overlij-den doe je uiteindelijk toch. Tenzij je op tijd tot inkeer komt en stiekum je biezen pakt. Zwangeren komen er relatief het beste van af, gevolgd door trauma en de rest wordt op "interne" geparkeerd en volgegoten met quinine. Of iemand werkelijk ja of nee malaria heeft , of misschien wel iets heel an-ders, is daarbij van ondergeschikt belang.
Voordat Grace en ik ten tonele verschenen was het begrip acute buik een niet bestaande grootheid in Sumbawanga General Hospital. Buiken werden nooit onderzocht: dokter M. werkt volgens het principe van de Fat Man uit The House of God: "never touch a gomer". Misschien hebben ze wel AIDS, die patiënten, en je weet nooit wat voor beesten er door de lucht vliegen als je aan die mensen gaat duwen en trekken. In feite kijkt dokter M. ook nooit naar haar patiënten. Ze laat zich alleen door de verpleging vertellen welke er naar huis kunnen en tekent de papieren. Acute buiken gingen dus in het verleden naar interne en daar gingen ze dan dood. De verpleegster kwam bijvoor-beeld terug van de bank of van een rondje op de markt en zei: goh, deze doet het niet meer. Wat is malaria toch een vreselijke ziekte.
Prof. Grace en ik denken daar heel anders over. Prof. Skip moet iets te doen hebben en dus vinden wij elke week minimaal twee acute buiken op interne. Daar is men in Tanzania niet blij mee. Een sectio kost 20 minuten en dat kan de anesthesist nog wel bijpompen met de hand, maar een beetje laparotomie duurt al gauw een uur en daar krijg je een lamme arm van. Bovendien beschouwt men het als een futiele exercitie. Je kunt zo'n acute buik wel proberen te redden, maar post operatief komt hij op de intensive care unit terecht en daar wordt hij dan alsnog vergeten, tot hij - zoals het een acute buik betaamt - alsnog gewoon doodgaat. Misschien gunt men de goede Prof. Skip zo nu en dan wel een uur van chirurgische glorie, maar het moet geen gewoonte worden.
De eerste drie post operatieve buiken worden dan ook zonder omhaal op de ICU vermoord. Een krijgt twee dagen geen vloeistof toegediend, (wij waren met vakantie), de tweede wordt volgegoten met pap en stikt in zijn braaksel en de derde geeft er - mogelijk uit solidariteit met de eerste twee - zelfstandig de brui aan. Prof. Skip wil weer eens opstappen en Prof. Grace besluit een dagje shopping therapie in te lassen.
Maar er wordt niet te lang getreurd: na een avondje met een aantal goede flessen wijn besluiten wij dat wij ons niet zo maar onder laten schoffelen. Wij heropenen de aanval met de "vroege herken-nings-strategie". Wij opereren nu buiken die nog niet helemaal acuut zijn, maar het wel dreigen te worden. Aha! En, lo and behold! er is er een die het overleeft. En dan zie je toch hier en daar wat ogen gaan glimmen. Jawel. Een mijlpaal! Tegen de tijd dat de twee Amerikanen dan uiteindelijk toch weggaan hebben wij vier acute buiken voor de poorten van de hel weggesleept en de vijfde ligt klaar voor haar operatie. Dus is er op de valreep toch nog een succesje te melden voor Uncle Sam en met natte ogen nemen wij afscheid. Prof. Skip verklaard geëmotioneerd dat hij heeft besloten volgend jaar toch maar weer terug te komen. Prof. Grace wil alleen terugkomen als ik er nog ben. Ik denk zelf niet dat ik hier zo lang kan overleven.
En dan gaat - alsof het allemaal al niet erg genoeg is - Marjon ook weg. Ze legt Innocente, die zich toch een beetje is gaan ontworstelen aan zijn martelaarschap, betraand terug in zijn eenzame bedje en ik rijdt haar, met gevaar voor eigen leven en voor het hare, helemaal alleen van Sumbawanga naar Mbeya. In de Prado. In de recordtijd van 5 uur en 10 minuten. En Marjon wordt onderweg helemaal niet lekker. Maar ze is nu eenmaal onderweg en wil doorzetten. De volgende dag moet zij alleen de 14 uur durende busrit van Mbeya naar Dar maken, met twee plaspauzes van 10 minuten elk.
Ik parkeer haar in een hotelkamer en ga in het busstation een kaartje kopen voor de bus naar Dar. Ik parkeer de Prado ergens langs de weg. Als ik 10 minuten later terugkom zit er een ketting om mijn wiel, vastgemaakt met twee vervaarlijke hangsloten. Ik struin de weg af, op zoek naar een bord met NO PARKING, maar vind niets. Eigenlijk heb ik überhaupt nog nooit zo'n bord gezien in heel Tanzania. Ergens wuift een man in een groene overall naar mij. Pay! Pay! roept hij, wijzend naar een wit autootje. Als ik het autootje heb gevonden, vertelt een man in burger mij dat ik 50.000 shilling moet betalen (ongeveer 30 euro, een maandsalaris voor een serveuse in een restaurant).
Waarom mag ik daar niet parkeren, vraag ik.
Het mag alleen op het terrein van het busstation.
Waar staat dat?
Dat is toch duidelijk, dat weet iedereen hier, zegt de man, schijnbaar oprecht verbijsterd door mijn onwetendheid.
Omdat de auto geen politiekenmerk draagt, vraag ik naar zijn identificatie. Die heeft hij niet.
Krijg ik wel een ontvangstbewijs, vraag ik vervolgens.
Jazeker, zegt de man en hij toont mij, schielijk, een briefje, gemerkt:
Aaico Ltd
Aggressive Associates International Company Ltd.
P.O. Box 2580, Mobile 0784-373022 - Mbeya
RECEIPT
Ik schiet in de lach en kijk om mij heen waar de verborgen camera staat, maar het is allemaal grimmi-ge ernst. Vechten helpt niet, want zij zijn groot en ik ben klein en het is niet eerlijk. Dus loop ik naar de verkeerspolitie, die een kioskje heeft bij de uitgang van het busstation, teneinde de banden van de bussen te kunnen controleren voordat zij op pad gaan. In feite sluiten zij uiteraard tegen betaling de ogen. De verkeerspolitie zegt dat ik moet betalen. Zij zitten dus ook in het complot. Ik neem een taxi naar het hoofdbureau van politie. Daar verwijst men mij naar het hoofdkwartier van de verkeers-politie. Ik rijdt er naar toe.
In het schemerduister wordt ik hartelijk ontvangen door twee geüniformeerde dienders, die geïnte-resseerd naar mijn verhaal luisteren. Gedrieën lachen wij hartelijk om zoveel malafide onderne-mingsgeest. Wacht, zeggen de dienders, er is hier toevallig iemand van de crime squad, die gaat wel even met je mee. De rechercheur moet ook lachen om het verhaal en wij gaan op pad. Ik verheug mij er stilletjes al op om toe te zien hoe de rakkers in hun eigen kettingen worden afgevoerd.
Maar eenmaal ter plekke neemt het verhaal een heel andere wending. De politieman onderzoekt het verhaal weliswaar uitgebreid, maar hij kent op de een of andere manier de fa. Aaico wel, of mis-schien hun representanten en na veel heen en weer gepraat luidt de conclusie dat het allemaal toch op de een of andere manier zuivere koffie is. De gemeente zou het parkeren hebben uitbesteed aan de fa. Agressie N.V. en of ik maar over de brug wil komen. Ik lever morrend mijn briefjes in en wordt door de gezamenlijke agressievelingen ontkettinkt en verder nog een prettige avond toegewenst.
De volgende ochtend lever ik de zieke Marjon af bij de bus. We zwaaien door het raampje dat niet open wil en het bonte gevaarte verdwijnt grommend in de ochtendschemering. Ik rijdt verdrietig terug naar Sumbawanga, in opnieuw een recordtijd (ik ben inmiddels sneller dan de ziekenhuis-chauffeur), inclusief plaspauzes. Terug in mijn kale kamer valt de eenzaamheid als natte koude deken over mijn hoofd.
De volgende ochtend belt Marjon uit Dar. Ze heeft inmiddels 39.6 koorts, hoofdpijn, diarree en een aantal andere alarmerende symptomen. Ik stuur haar naar een bevriende kliniek, waar blijkt dat ze amoeben dysenterie heeft. Volgestopt met pillen vliegt ze desondanks de volgende dag terug naar Amsterdam. Dat krijg je er van als je zielige weeskinderen op sleeptouw neemt. Wordt vervolgd.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten