zondag 12 september 2010

PEEDS

Dokter, dokter.

Een vrouw klampt me in het gangpad tussen de afdelingsgebouwen aan. Zo doe je dat als je hier ge-zondheidszorg wil krijgen. Je loopt het ziekenhuis binnen en je klampt iets aan dat er uit ziet als een dokter. Een bleekneus met een stethoscoop om zijn nek, bijvoorbeeld. Of je gaat op een bank zitten, voor iets dat er uit ziet als een spreekkamer en dan hoop je dat wordt binnengeroepen door een arts. Of iets dat daar voor door moet gaan. Als dat niet zo is, dan ga je op de vloer liggen,en wacht af tot er iemand notitie van neemt. Soms werkt dat.

Dokter, dokter.

Deze vrouw neemt mij aan de hand mee naar Wardi 6. In Wardi 6 liggen de kinderen. Het is de pedia-tric ward, afgekort peeds. De kinderen hebben allemaal hun moeders bij zich, om te helpen met de verzorging. Als je je moeder niet bij je hebt, dan kom je er niet in, want er is maar een verpleegster voor de hele afdeling en er liggen soms 25-30 kinderen. Op de inadequate care unit, waar zelden meer dan twee patiënten liggen, is ook altijd één verpleegster aanwezig, als ze tenminste niet aan het shoppen is, of op visite bij haar Tante Telezia. Op de privé afdeling, waar meestal niemand ligt, zijn er altijd twee nurses. Die mensen, die er niet zijn, betalen immers voor quality care. De kinderen liggen hier met hun moeders in een bed, als er tenminste bedden genoeg zijn, anders liggen er twee moeders met twee kinderen in een bed. Hoe ze dat precies voor elkaar krijgen is mij nog altijd niet duidelijk, maar het kan. Gezond kan het niet zijn, maar wie maalt er hier om gezondheid.

Ik kwam er wel eens een enkele keer, op de peeds wardi. De dokter die hier doktert, een vriendelijke en spraakzame jongen, doet het niet slecht. Ik bemoei me niet zo met de kinderen. Ik heb mijn han-den vol aan de volwassenen. En aan mezelf, want ik ben nog steeds doodmoe van de maligne hoge bloeddruk en van de pillen tegen de maligne hoge bloeddruk en van het conditieverlies na zeven maanden gestrompel met een knie die het niet wilde doen. Het gaat weliswaar beter, maar ik wil me eigenlijk met chirurgie gaan bemoeien. Dan kan ik zelf ook nog iets leren, in plaats van dag in en uit tevergeefs te proberen orde in deze chaos te brengen. Er lopen hier tenminste twee chirurgen rond die een buik open en dicht kunnen maken, zonder dat de patient (altijd) overlijdt. Zegt Prof. Skip en die kan het weten, want die is professor in de chirurgie aan de universiteit van Phoenix. Arizona. USA.

Dokter, dokter.

Ik loop de afdeling op, een bizar circus van schreeuwende koters, wapperende muskietennetten, klepperende ramen zonder ruiten en een visuele kakofonie van bont bedrukte lappen, die niet alleen als jurken dienen, maar tegelijk als lakens en dekens voor moeder en kind. De moeder wijst mij op en hijgend kind met weggedraaide ogen en blauwe lippen. Ik kijk eens om mij heen, maar er is geen verpleging (lunch? shopping?) en er is geen arts. In een hoek staat een O2-concentrator.Een neus-sonde is nergens te vinden, maar ik heb nog ergens een geheime voorraad maskertjes, het restant van een strooptocht door geheime kasten vol met lang vergeten schenkingen van goedwillende internationale helpertjes. Nu nog een slang om de zaak aan elkaar te sluiten. Na een kwartiertje ploeteren heb ik de saturatie op 95. (Dank aan de Stichting Tandoe, voor het buitengewoon ingeni-euze vingerklemmetje met schermpje, SpO2 en HR, state of the art, euro 110, dat ik altijd in mijn zak draag. Pols 130).

Een lijn. Een lijn. Een lijn?

De voorraadkast is dicht, want de nurse heeft de sleutel meegenomen, maar ik weet dat er toch niets in de kast ligt, dus ik schooi het ziekenhuis af, op zoek naar een cannule en een giving set en een hal-ve liter 5% dextrose. De cannule scoor ik uiteindelijk op de operatiekamer (connecties!), maar de rest moeten pa en ma zelf maar gaan kopen in de apotheek aan de overkant, inclusief de anti-biotica.

Zoals inmiddels bekend zijn dit spullen die afkomstig zijn van de regering en van donors, maar die op de een of andere manier de weg naar het ziekenhuis kwijt zijn geraakt op de lange tocht van de hoofdstad naar hier. Maar ma heeft geen geld. Dus geef ik haar geld.

Na een uurtje druppelt er wat suiker in de arm van het kind, dat een glucose van 2.7 blijkt te hebben, dat krijg je van al dat gehijg, (mijn eigen glucosemetertje, dank Stichting Tandoe). De verpleging is inmiddels gearriveerd.

Waar is de dokter, vraag ik in mijn onschuld.

Dokter? Jij bent de dokter.

Nee, die jongen die hier altijd rondloopt. Aardige vent.

Die hebben we al een tijd niet meer gezien.

Hoelang al niet?

O, al een dag of wat. Ik weet het niet precies.

Waar is hij dan?

Geen idee.

Is er geen vervanging?

Vervanging?

Ja, iemand moet toch de ronde doen?

Nou ja, als de kinderen binnenkomen, dan worden ze toch gezien? Een dan schrijft de dokter iets voor en dat geven wij dan. En…eh…als er iets aan de hand is, dan roepen we een dokter. Er loopt er altijd wel een rond.

Nou, met dit kind is wel het een en ander aan de hand. In de status staat malaria, maar dit kind heeft een gigantische longontsteking. Als we niets doen maakt hij het niet lang meer.

O. Ja weet je.. kijk… hier hebben ze eigenlijk allemaal malaria. Of diarree en braken. Daar raken ze meestal ook buiten adem van. En hoofdpijn. Maar je, als ze geen hoofdpijn hebben van de malaria, dan krijgen ze het wel van de quinine.

Het patroon herken ik van de volwassenen. Iedereen die zich bij de ingang meldt heeft per definitie malaria (M), of diarrhoea and vomiting (D&V), of allebei. Iedereen gaat aan de quinine en aan een tamelijk absurde combinatie van intraveneuze metronidazole en orale erythromycine en dat was het dan. Hoor ik: hoofdpijn?

Kom, zeg ik tegen de verpleegster. We gaan de ronde doen.

De ronde? Nu?

Precies. Nu. Kom op met de statussen.

Ik vindt twee maal meningitis, gediagnosticeerd als M&D&V. Vreemd, want van diarree of van braken was geen sprake, wel van ernstige nekstijfheid. Bij het strekken van de beentjes, gillen de half-coma-teuze schatjes het uit.

Nog 2 maal longonsteking (M&D&V), een maal ondervoeding en uitdroging (M&D&V), twee maal stadium 3 AIDS (M&D&V) en nog zo het een en ander. (Een gigantisch "rijp" absces in de nek, ja de dokter zou het "opereren", maar dat is inmiddels 5 dagen geleden). En alles hangt braaf aan de infus-en met quinine. De enige winst daarvan is dat de schatjes het een en ander aan vloeistof binnen krij-gen. Wel wordt er standaard overgedoseerd met quinine en erg prettig is dat niet, want quinine is gemeen spul.

Om tien uur 's avonds heb ik de hele boel een klein beetje op orde. De verpleegster is lief en behulp-zaam. Een belangrijk deel van de medicamenten heb ik zelf gekocht bij de apotheek aan de overkant, want de moeders hebben, zoals gewoonlijk geen geld bij zich en vader kwam niet op het bezoekuur, die had iets anders te doen. Vaders zie je sowieso zelden of nooit op de kinderafdeling. Als nu in vre-desnaam morgen die andere knaap maar terugkomt.

Maar de volgende ochtend is de andere knaap er niet. Ik ben een kind kwijt, het kinderlijkje ligt nog stil op het bed, opgerold in de bonte doeken van zijn moeder, maar de rest lijkt - tegen wil en dank - een beetje op te knappen. Ik zoek naar Jasper, om te zorgen dat er iemand komt om te helpen, maar die is er niet. Ik ploeter door. De volgende dag begrijp ik dat ik er een "kind" bij heb.

Naast de afdeling volwassen interne, de ICU, de privé-afdeling interne en een stuk van de out-patient interne (de reumatische dokter M. heeft er inmiddels zo goed als de brui aan gegeven, nu ze merkt dat ik 3 woorden Swahili spreek), ben ik nu kennelijk ook de kinderarts. Gemiddeld toch al gauw tussen de 40 en de 60 patiënten. Daarbij zal ik ook nog een deel van de verpleging moeten doen, want die trekken het niet of ze zijn verdwenen. Toch sjouwen hier een stuk of 10 "artsen" rond. Niet altijd dezelfde. Ze zijn vaak weg. Op cursus. Wat ze er leren mag god weten, want in de praktijk ko-men we niet veel verder dan M&D&V. Al jaren niet. Het is dus niet makkelijk om ergens "vervanging" voor te vinden. Ik lijk uit te groeien tot de grote "vervanger" hier. En ik ben moe. Heel moe. Vooral van de krankzinnige chaos in dit ziekenhuis. Maar mijn knie doet het weer en mijn bloeddruk is weer helemaal safi kabisa. Dat dan weer wel.

Ik gaf aan dat het verhaal van het lab nog een vervolg zou krijgen. Hierbij dus.

Dokter, dokter…ah, dokter!

Het hoofd van het lab is terug. Terug van vakantie. Charmante vrouw, beetje mollig, inmiddels, maar moet vroeger een schoonheid zijn geweest.

Dokter, het lab is ingestort. Niets doet het meer. Wij moeten praten. Komt u alstublieft mee naar mijn kantoor.

Het kantoor. Gloednieuw meubilair, airco (waar dat goed voor is mag God weten, het is hier stervens koud). Dokter, u bent toch langs geweest, met dr. Nduasinde (Jasper). U gaat ons helpen dokter. Ik wist het, toen ik u zag wist ik het meteen. U gaat ons helpen.

Waarom denkt u dat ik u ga helpen?

Omdat u iedereen hier helpt. Geef ons geld om alles weer aan de praat te krijgen.

Geld? Waarom zou ik u geld geven?

Er gaan mensen dood, dokter. Dat kunt u toch niet laten gebeuren. U hebt de oplossing. U hebt ons laten zien hoe het moet. Het gaat om een paar honderd dollar. Toe, dokter.

Ik denk dat er hier sprake is van een misverstand. Ik laat niemand doodgaan, dat doet u.

Hoe kunt u zo iets zeggen.

Dat zal ik u precies uitleggen. Dit lab is twee weken geleden al ingestort en niemand doet er iets aan. Als ik geen initiatieven genomen had om de boel weer aan de praat te krijgen, dan hadden jullie hier allemaal over een half jaar nog in jullie neus zitten peuteren. Als er hier mensen sterven, dan is het omdat jullie te beroerd zijn om de armen uit de mouwen te steken. Het enige wat jullie doen is op anderen zitten wachten om de kar uit de modder te trekken. En nu nog eens wat: er wordt in dit zie-kenhuis aan alle kanten gestolen en geroofd. Denk je nu werkelijk dat ik mijn geld ga stoppen in een ziekenhuis dat door het grootste deel van het personeel alleen maar gebruikt wordt om hun zakken te vullen. Denk je werkelijk dat ik stapelgek ben?

(En dan kan ik het niet laten). Weet je, die mensen die hier sterven, en ze sterven bij bosjes, dat zijn jullie mensen. Als jullie te besodemieterd zijn om ze te redden, waarom zou ik me er druk over moe-ten maken. Vertel me dat eens.

Maar het lab, dokter, het gaat alleen maar om het lab.

Het lab is net zo corrupt als de rest van het ziekenhuis. Ik doe hier mijn werk. Als er straatarme men-sen sterven omdat ze de prijzen niet kunnen betalen van de medicijnen die jullie uit het ziekenhuis gestolen hebben, dan ben ik zo nu en dan gek genoeg om ze ze kado te geven. Maar denk je nu werkelijk dat ik de zakken ga spekken van een stelletje gangsters? Zoek het maar uit. De groeten.

Ik zeg het allemaal lachend. Ze lacht vriendelijk terug. Zo doe je dat in Tanzania. Wordt vervolgd.

Als ik het lab uitkom, staat er een oude, vriendelijke nurse voor mijn neus.

Ik heb slecht nieuws, dokter. Ze kijkt er sip bij. Het is een best mens.

Yusta is dood.

Yusta is dood.

Goh, zeg ik. Jezus. Wat lullig. Toch nog…

Yusta is het twintig-jarige meisje dat iedereen had opgegeven, nadat ze een dood kind ter wereld had gebracht en in coma was geraakt met een levensgrote sepsis. Met kunst en vliegwerk, met schreeu-wen, foeteren, bidden, smeken, met van overal en nergens aangesleepte medicijnen en voedingswa-ren had ik, in weerwil van de ene krankzinnige verpleegkundige blunder na de andere, haar in leven gehouden. Na een week was ze wakker geworden. Ze had 4 fistels, er kwam faces en urine uit haar buikwond en haar vagina, ze had overal doorligplekken, maar ze leefde, je kon een beetje met haar praten en ze glimlachte naar me.

En nu, acht weken later, was ze dood.

De nurse vertelde dat ze het voedsel dat haar moeder haar trouw elke dag voerde had uitgebraakt en toen had ze er maar weer een buis ingestopt, want zonder eten kan een mens niet leven en toen had ze er een heleboel pap in gegoten en die had ze ook weer uitgebraakt en toen was ze plotseling opgehouden met ademen. Het speet haar heel erg.

Het lieve mens was werkelijk ontdaan. Natuurlijk, ik had haar tien keer uitgelegd dat mensen niet doodgaan van het overslaan van een maaltijd en dat je semicomateuze brakende patiënten niet vol moet gieten met pap en ik had haar eigenlijk haar nek om moeten draaien, maar ik ben moe. Echt waar, je kunt het hier niet winnen. Ze hebben platen voor hun kop, daar kom je met een elektrisch aangedreven slaghamer (krachtstroom) niet doorheen. En het is echt een best mens. Zij was een van de weinigen die mij gelijk gaf, met mijn foetercampagne.

We gingen maar eens kijken. Daar lag ze dan. Dezelfde wat glazige, afwezige blik die ze altijd al had. En die opleefde als je haar over haar met veel zorg door haar moeder gevlochten kroezige haar aaide en haar vroeg hoe het met haar ging.

Gaat het al een beetje beter?

Ndiyo…iwezavyo.

Yes, somehow…

En dan een glimlach.

Elke keer als ik binnenkwam keek ik van een afstand naar de grauwe paardendeken om te zien of hij nog op en neer ging. En elke keer haalde ik opgelucht adem als er nog beweging in zat. Uit gewoonte keek ik nu weer. Maar er zat geen beweging meer in. Echt niet. Nee…toch…nee, echt niet. Uit haar mondhoek druppelde wat schuimende vloeistof. Het soort vloeistof dat je uit je longen probeert te hoesten als iemand pap in je luchtpijp blijft gieten. Ze had het uiteindelijk toch verloren. Niet van de bacteriën of van het noodlot, maar van de domheid en de stijfkoppigheid.

Ik deed Yusta's ogen dicht en keek naar de nurse. Ze is een oud mens met een gegroefd, lief gezicht. Een grote, brede mond met een glimlach om tien onweersbuien mee te verjagen. Al een beetje krom, maar ze houdt vol. Met liefde. Je kunt niet kwaad op haar worden, al zou je het willen.

We hebben hard voor haar gevochten, zeg ik.

Ja, zegt ze. Het spijt me.

We hebben gewoon niet alles in de hand.

Nee.

En we hebben Pauline nog, zeg ik, troostend. Om te laten zien dat ik het haar niet kwalijk neem.

Pauline kwam drie weken na Yusta aan op de afdeling inadequate care. Met precies hetzelfde probleem. Post-puerperal sepsis. Ook die heb ik - eveneens tegen wil en dank- in leven kunnen houden. Maar Pauline is niet wakker geworden. Althans nog niet. Pauline ligt tegenover de dode Yusta. De nurse voert haar dagelijks haar pap door de naso-gastric tube.

We keren de dode Yusta de rug toe en lopen aarzelend naar het bed er tegenover. Pauline heeft geen fistels en - wonder boven wonder - maar een doorligplek. En haar ogen zijn open. Althans soms. Vandaag in elk geval wel. En vandaag lijken ze meer uitdrukking te hebben dan anders. Het lijkt alsof ze kijkt.

- Zou ze ons zien, zeg ik tegen Nurse.

- Je zou het haast denken, zegt ze. Misschien kan ze ons wel horen, maar kan ze niets zeggen. Pauline, Pauline, wordt wakker.

Pauline knippert met haar ogen.

Zeg tegen haar dat ze met haar ogen moet knipperen, als ze je hoort, zeg ik tegen Nurse.

Nurse zegt het tegen Pauline. In het Kiswahili.

Pauline knippert. Een maal. Daarna nog een keer. En nog een.

Volgens mij knippert ze gewoon de hele tijd.

Knipper met je ogen, Pauline, een keer, als je me hoort.

Pauline knippert.

Het lijkt er toch echt op, zeg ik. Aarzelend.

Ja, misschien.

Ik pak haar hand.

Pauline, Pauline, knijp in mijn hand. Knijp in mijn hand.

Maar Pauline knijpt niet in mijn hand. Ze knippert wel met haar ogen.

Misschien moeten wij haar hersenen stimuleren, oppert Nurse.

Ja, met een radio, of zo. Misschien verveelt ze zich.

Of ik kan iets lekkers voor haar koken.

Ze kan niet eten.

Nee, maar ze kan het wel ruiken. Wie weet?

Het valt te proberen.

De jongens van het mortuarium komen het lichaam van Yusta ophalen.

Van top tot teen gewikkeld in de kleurige omslagdoeken van haar moeder, wordt ze op een brancard gelegd en weggereden.

Ik glimlach nog maar een keertje naar haar. Naar de bonte toddehoop van Nigeriaanse katoentjes.

Yusta hoeft niet meer verder.

Ik nog wel. Ik moet nog een tijdje.

Ik vraag me vaak af hoe lang nog. En vooral hoe.

Maar het zal wel lukken, op de een of andere manier.

Iwezavyo.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten