zondag 12 september 2010

BEEN

Er wordt hier veel gestorven. Aan van alles en nog wat, maar vooral aan AIDS. Er zijn natuurlijk wel pillen voor AIDS, maar niet iedereen heeft pillen, of ze nemen ze niet in. Eigenlijk zijn er ontelbare moeilijkheden met die pillen.

Sterven doe je hier op je eentje. Stiekum. Ze zijn ineens dood, de mensen hier. Ze maken er geen punt van, van dood gaan. Ze houden gewoon op met ademhalen. Geen sterfscènes met afscheid en tranen, dat soort dingen. Nee, op een bepaald moment vinden ze gewoon dat het wel mooi genoeg is geweest.

Omdat er meestal twee zieken in een bed liggen, ligt die tweede dan ineens met een dode in bed.

Die tweede zieke is dan even niet zo heel erg ziek meer en gaat maar even ergens op een stoel naast het bed zitten wachten. Niemand ligt graag in bed met een dode. Dan komt de familie van de dode en dan staan ze er met z'n allen een beetje verwonderd naar te kijken. Die tweede zieke op de stoel zit er een beetje verloren bij. Tot de mannen van het mortuarium de dode hebben opgehaald, met een soort brancard met een enorme blikken deksel er op.

Vervolgens gaat de familie naar huis en daar wordt dan uitgebreid gelamenteerd, drie dagen en drie nachten lang. En plein comité. De hele buurt doet mee. En dan is het klaar.

Dat lamenteren, daar ben ik natuurlijk niet bij. Bij het sterven ook maar zelden. Ik kom de volgende dag en een enkele keer denk ik wel eens: hé, waar is die of die, maar meestal mis ik ze niet. De bed-den liggen al weer vol met andere zieken, twee op een bed, dus. Kruiselings.

Sommige herinner ik me nog wel. De vrouw met de zwarte handen, bijvoorbeeld. Ze kwam binnen-lopen op een dag, terwijl ik de ronde deed. Ze ging op een bed liggen. Ze was heel zwart. Nog jong. Het was haar nog wel aan te zien dat ze ooit onwaarschijnlijk mooi moest zijn geweest. Nu was ze niet meer dan een schim. Haar hele huid, die ooit glanzend zwart moet zijn geweest, was aangetast door een doffe, grijzige schimmel. Haar armen en benen hingen als kale twijgen aan een stervende stam, haar ogen waren vergeeld en bloeddoorlopen, haar mond was gekerfd door korstige kloven. Ze had zwarte handpalmen. De huid van haar voetzolen liet los, als die van een slang. Ze had geen familie, de vrouw met de zwarte handen. Ze kwam van ver. Alleen.

Er komen veel mensen als deze vrouw in het ziekenhuis. Vreemde, beschimmelde, bewegende sta-ketsels met holle ogen. Ze doen denken aan het rottende, schrompelende fruit dat je vergat weg te gooien voor je op vakantie ging. Ze gaan op een bed liggen en ze gaan dood.

Een tijd lang heb ik gedacht ze te kunnen redden. Ik vroeg de mensen van de afdeling HIV/AIDS om ze alsnog ART-pillen te geven. Die mensen kwamen dan langs. Ze keken naar de half-comateuze schim-mel-mensen en ze keken naar mij. Soms trokken ze wat aan de schimmelmensen of riepen ze hun naam. Die zochten ze dan eerst in de status op. "Tuberosina!", riepen ze dan, of "Scholastica!". Want zo heten mensen hier. Soms keken de schimmelmensen hen dan aan. Soms keken ze langs hen heen, met doffe, niet ziende ogen.

Dan zeiden de mensen van de afdeling HIV/AIDS dat ze geen pillen konden geven aan de schimmel-mensen, want dat soort mensen kon - in hun half comateuze staat - niet worden gecounseld.

En zonder counseling geen pillen. De schimmelmensen moeten begrijpen, zeiden de HIV/AIDS mensen, dat ze de pillen hun hele leven moeten blijven nemen, bijvoorbeeld. En dat ze nog een hele tijd besmettelijk zijn, dat ze condooms moeten gebruiken, dat soort dingen.

Als jullie ze de pillen niet geven, zeg ik dan, dan gaan ze dood. Dan hebben ze geen condooms meer nodig.

Dood gaan ze toch wel, zeiden de HIV/AIDS mensen dan. Hier valt weinig meer aan te redden.

Soms werd ik boos. Dan gaven de HIV/AIDS mensen de pillen toch, zonder counseling. En dan gingen de schimmelmensen alsnog dood, pillen of geen pillen.

De vrouw met de zwarte handen had al pillen. Misschien had ze die niet trouw genoeg ingenomen.

Of misschien waren het niet de goede pillen. In elk geval hoefde niet meer gecounseld te worden. Ze hoefde alleen maar op een bed te gaan liggen en te sterven.

Maar ik dacht - in mijn onschuld - dat ze daarvoor niet naar het ziekenhuis was gekomen. Om te sterven. Ze was uit een dorp gekomen, ver weg, misschien was ze wel komen lopen, met haar laatste krachten, op haar half ontvelde voeten, om nog een kans te krijgen.

Dus vond ik dat ik haar die kans moest geven. Ik vond dat ik haar moest redden. Ik ging haar in haar oude glorie herstellen. Ze had geen geld voor pillen of voor infusen, dus kocht ik pillen en infusen voor haar, aan de overkant van het ziekenhuis. Er is daar een kleine, onderkomen apotheek, waar ze de pillen verkopen die uit de ziekenhuis-voorraden worden gejat door de ziekenhuis-apotheker. De zoon van de apotheker, die voor diplomaat studeert, bemenst in zijn vakantie het apotheekje. Hij wil dat ik hem sponsor. Iedereen wil door mij gesponsord worden, hij ook. Hij blijft maar vragen wan-neer wij daar eens uitgebreid over kunnen praten.

Ik sukkel terug naar het ziekenhuis. Het is inmiddels donker. De paar kale TL-buizen aan het plafond van de verveloze zaal beschijnen het stille lijden met een grimmig gebrek aan erbarmen. Ik geef de vrouw een lijn. Ze kan niet slikken. Ze laat het zwijgend toe. Ik laat een fles 5% dextrose in lopen. Ik geef haar de anti-schimmel pillen en de co-trim en ik geef haar nieuwe ART pillen. Ze neemt ze in. Het gaat allemaal langs haar heen. Ik kijk hoe ze de pillen moeizaam doorslikt. Ik blijf naar haar kijken.

Zij gaan dood, dat zie ik. En ik blijf leven. Zij gaat dood, net als al die anderen, en ik blijf leven. Zij is al in de schaduwwereld, waar alles grauw en grijs wordt, om uiteindelijk in een oneindig zwart op te lossen. Mijn wereld is nog vol van kleur. Eindeloos veel kleur.

Zij is niet naar het ziekenhuis gekomen om beter te worden of om er te sterven. Je gaat hier naar het ziekenhuis als je ziek bent. Het is een van de vele, onbegrijpelijke dingen die je doet en die onderdeel vormen van de vreemde aaneenschakeling van gebeurtenissen die bekend staat als "het leven". En het leven wordt alleen maar onbegrijpelijker, en vreemder, hoe dichter het de dood nadert.

Zij gaan dood en ik blijf leven. Ik verbeeld me dat ik het leven begrijpelijk maak door hier, in deze schamele, kilverlichte zaal, pillen uit te delen aan de stervenden. Zij is dat stadium al lang voorbij. Ze is al in een andere wereld.

Ik misschien ook al wel, maar bij mij is de boodschap nog niet aangekomen.

De volgende dag is het - bij uitzondering - buiten warm als ik op de ronde ben.

Waar is de vrouw met de zwarte handen, vraag ik de verpleegster. Is ze dood?

Nee, ze is buiten.

Ik kijk door het raam en daar zit ze, op het stoppelige, verdorde grasveld naast wardi 5, het gebouw van de vrouwen-interne. Ze steunt met haar hoofd op haar opgetrokken knieën. Ik moet iets goed hebben gedaan.

Dan wordt het heel druk. De alcoholische kinderarts is er vandoor en ik doe de kinderen er bij. Ik ver-geet de zwarte vrouw. Pas als er weer iemand komt die ook 5% dextrose nodig heeft denk ik aan haar. En dan realiseer ik me plotseling dat ik haar al dagen niet gezien heb. Is ze terug gegaan naar haar dorp?

Ik vraag het aan de verpleging.

De vrouw met de zwarte handen?

Ja, ja, die hele zwarte vrouw. Zelfs haar handpalmen waren zwart.

Ja, ja. Vreemd, die zwarte handpalmen.

Wat is er met haar gebeurt.

Ze is dood.

Dood. Ik zag haar nog buiten zitten. Ik dacht…ik dacht dat het haar beter ging.

Ja. Even wel.

Ze zat zelfs buiten.

Ja…ja. Ze zat een poosje buiten. En toen kwam ze naar binnen en ze ging in bed liggen en ze was dood.

Ik zwijg een tijdje.

Het was haar tijd, zeg ik, obligaat.

Ja, zegt de verpleegster. Het was haar tijd.

Later zie ik in een AIDS-boek dat de zwarte handpalmen een teken zijn van Kaposi's sarcoma in AIDS-patienten. Althans in Afrikaanse AIDS-patienten. Het is maar een weetje. Kaposi's sarcoma is een behandelbare kanker. In Westerse ziekenhuizen. Misschien zelfs wel in Dar es Salaam, twee dagrei-zen verderop. Maar niet in patiënten met AIDS.

Mijn eerste Kaposi zag ik in een hut in Noord-Uganda. Wilde ik niet even naar het nichtje van de chauffeur van MSF kijken? Er was iets niet helemaal goed met haar. Jawel, natuurlijk. De man ging mij voor naar een van de duizenden traditionele, raamloze ronde hutten met rieten daken, waarin de vluchtelingen voor de LRA-terreur hun onderkomen hadden gezocht. Diep gebukt gingen we door de kleine ingang naar binnen. In het schemerdonker zag ik iets wat mogelijk ooit een been moest zijn geweest. Het been had de omvang van een forse boomstam en was overdekt met puntige bulten, pussige korsten en groezelige schimmels. De boomstam verspreidde een wee makende lucht van verrotting en sterven. Het onbegrijpelijk gruwelijke was dat er aan het been een levend mens vastzat, een meisje van een jaar of 17, 18.

Ik moest denken aan de Alien films, waar monsterachtige vreemde groeisels ontspruiten aan interga-lactische reizigers. Alleen was dit gewoon Noord-Uganda en niet Star Wars.

In het schemer-duister zag ik de ogen van de familie van het meisje verwachtingsvol op mij gericht.

Laten we naar buiten gaan, zei ik.

De late middagzon kleurde het kamp oranje. Een jongen dreef met een stok zijn koeien tussen de met riet bedekte hutten door. In de verte klonken de kreten van de avondlijke partij voetbal op de vlakte midden in het kamp.

Ik kan niets voor haar doen, zei ik.

Helemaal niets?

Nee. Nou ja…ik kan proberen te zorgen dat ze…minder pijn heeft.

Maar kun je dan helemaal niets doen? Kun je haar niet naar Kampala sturen, of naar Amerika?

Ik…ze heeft AIDS. Ze heeft AIDS, ze is in het laatste stadium.

Maar daar zijn toch pillen voor, voor AIDS?

Ja, er zijn pillen voor.

Ik wilde zeggen dat MSF, dezelfde club die de Nobelprijs had gekregen voor het omlaag brengen van de prijs van de pillen, nu te besodemieterd, of te eigenwijs was om ze in Noord-Uganda te distribu-eren. Maar met die mededeling was niemand gebaat. Ook al vrat de woede hierover een gat in mijn hart. Maar dit been en het meisje dat aan het been vastzat waren hoe dan ook niet meer te redden, pillen of geen pillen.

Lamlendig organiseerde ik wat pijnstillers en andere palliatieve zorg. De chauffeur en ik liepen terug naar de kliniek. De chauffeur was een vrolijke, praatgrage jongen, die ik graag mocht. Nu zwegen we. Ik probeerde mij niet af te vragen wat hij dacht. Misschien dachten wij hetzelfde.

Lege handen, dachten we. Een witte huid, het onmiskenbare teken van macht en veel geld. Een steen-rijke NGO, met vette, splinter-nieuwe Landcruisers met stijlvolle logo's erop en een grote bek over hoe het allemaal eigenlijk zou moeten in Afrika. En een been als een rottende boomstam en het langzame sterven in een duistere hut.

Lege handen.

Er ligt een jongen in het ziekenhuis. Het is een vrolijke, vriendelijke jongen van een jaar of 20, die goed Engels spreekt. Dat betekent dat hij ambitieus is, want goed Engels leer je hier niet op school, waar de leraren Engels zelf geen Engels spreken.

Shida ni gani? Wat is je probleem?

Hij trekt zijn broekspijp omhoog.

KS.

Hij kijkt mij verwachtingsvol aan.

KS.

Ik durf het hem niet te zeggen. Het is nog niet zo erg als bij het meisje, maar lang zal het niet duren.

Hetzelfde "houten" lymphoedeem, de zwelling, de schimmelende, grijzig doffe huid, de bulten, de korsten.

Hij kijkt mij aan alsof er weinig aan de hand is.

Ik kan mijn been niet meer buigen, zegt hij. En het is zo dik. Kun je daar niet iets aan doen?

Ik geef hem, met de moed der wanhoop, wat anti-biotica en wat anti-schimmel medicatie. De anti-retrovirale middelen heeft hij al.

Hij is dankbaar en optimistisch.

Oefenen, zeg ik, met je been zwengelen, daar helpt misschien.

Misschien.

Hij gaat gelijk aan de gang. Hij laat zich niet klein krijgen. Hij heeft ook nog een opgezwollen scrotum, mogelijk door dezelfde problematiek en daar moet ik ook iets aan doen, vindt hij. Hij heeft nog helemaal geen zin in dood gaan. Hij heeft vertrouwen in de toekomst. Ik niet. Uiteindelijk zal de kanker zijn hele been en daarna zijn hele lichaam overwoekeren. Hij heeft misschien nog een jaar. En hij is 20.

Ik vraag het nog eens na en kijk op het internet. De prognose is hopeloos.

Maar dan gebeurt er toch nog iets.

Hij leurt hier en daar met zijn opgezwollen scrotum en uiteindelijk vindt hij een dokter in het zieken-huis, die vindt dat hij met zijn been naar Dar es Salaam moet gaan.

Hij komt het mij enthousiast vertellen.

Ja, zeg ik. Ja. Nou ja…dat moet je dan in elk geval doen…

Ja, zegt hij. Ja. Ik ga het doen. Alleen weet ik niet hoe dat financieel moet. Ik heb geen geld voor de bus.

Nee. Ja. Nee. Zeg ik.

Ze hebben allemaal geen geld voor de bus, hier. Ik kan wel aan het uitdelen blijven. Bovendien gaat dat geld kosten in Dar. Ik zeg hem niet dat ik de prognose te beroerd vindt om er geld in te steken.

Ik zal eens met die dokter gaan praten, zeg ik, om er van af te zijn.

Die dokter geeft uiteindelijk een lange en goed onderlegde verhandeling ten beste, waaruit blijkt dat sommige KS, met name spindulocellulair KS, goed op radiotherapie reageert. Dat wist ik al, maar geldt dat ook voor AIDS-patienten? Volgens mijn bronnen niet.

Nee, maar volgens die dokter wel.

Maak een plan, zeg ik tegen de jongen. Misschien kan je een keer met de ziekenhuiswagen mee naar Mbeya, dat scheelt twee tickets, want er moet een verzorger mee. Dan kost het alleen nog maar twee tickets heen en weer naar Dar. En kun je ergens slapen, in Dar? En in Mbeya? En hoeveel geld heeft je vader? Je moet daar misschien maanden blijven. Hoe moet je dat financieren?

Het gaat me geld kosten, denk ik en op de een of andere manier wordt ik er sjaggerijnig van, want het haalt allemaal toch niks uit en ik kan mijn geld beter aan mensen met een betere prognose besteden.

Maar aan de andere kant wil ik hem niet dood laten gaan, met in zijn achterhoofd het idee dat een busticket heen en weer naar Dar es Salaam hem het leven had kunnen redden.

Maak maar een plan, zeg ik hem. Waar kun je wonen in Dar, terwijl je wordt behandeld, wie moet er mee, hoeveel heb je nodig om te eten, dat soort dingen. En hoeveel heb je zelf?

Ik heb helemaal niets, zegt de jongen. Ik kan niet werken.

Nee, dat is duidelijk.

Maar mijn vader heeft nog wel iets.

De vader ken ik wel. Hij zou pastor zijn in de een of andere kerk. Dan krijgt hij niets, want die pastors krijgen geld genoeg van hun parochianen, die ze de hemel beloven in ruil voor geldelijke bijdragen.

Maar dan hoor ik weer dat het om een lekebroeder gaat, die alleen predikt en geen geld ophaalt.

De informatie komt uit - relatief - betrouwbare bron.

Hoeveel heb je eigenlijk nodig?

Hij rekent het mij voor. Het komt neer op 4 lakh. Dat is 220 euro.

Hoeveel heb je zelf?

Twee lakh.

Ik leg de andere twee lakh er bij.

De jongen gaat blijmoedig strompelend op weg. Met zijn goede been en met zijn boomstam. En met zijn lekeprekende vader. Hij zal mij via het internet melden hoe het gaat. Ze verdwijnen over het zanderige voorplein van het ziekenhuis, richting de SUMRY bus naar Mbeya en Dar. Ik kijk ze na.

Ik heb er een hard hoofd in.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten