zondag 12 september 2010

PUS

- Misschien kun je vandaag een keertje meelopen bij obstetrics & gynaecology, zegt J. vrolijk, als we het ochtendrapport achter de rug hebben. J. is de medisch directeur van het ziekenhuis. Hij is een van de aardigste en kundigste mensen die ik ken. Er zijn echter nog een groot aantal andere mensen die ook over het ziekenhuis gaan. Hoe dat precies werkt is mij onduidelijk. Maar J. gaat over mijn "inzet". Vandaag is het dus obs & gyny. Verloskunde en gynaecologie.

Met wie loop ik die ronde?

Eh…, dat weet ik zo gauw niet. Er wordt eigenlijk niet echt een ronde gedaan op obs & gyny. Maar er is daar altijd wel een arts aanwezig, er gebeurt zoveel.

Waarom moet ik dan een ronde doen?

Nou ja, het kan geen kwaad, als er eens een ronde wordt gelopen. Om een indruk te krijgen?

Het ziekenhuis beschikt over 350 bedden en er zijn gemiddeld 120 patiënten aanwezig. In het malariaseizoen loopt het wel aardig vol, maar het is nu winter en de muggen hebben het te koud. Net als de patiënten trouwens. 's Ochtends en 's avonds is het hier een graad of 12-15, 's nachts 8. Van verwarming hebben ze hier nog nooit gehoord. In veel ramen zit geen glas, dus dat zou ook weinig uithalen. Dekens zijn schaars, dus hullen de vrouwen zich in stapels bedrukte katoenen lappen, hetgeen het haveloze gebouwtje alsnog een levendige aanblik geeft.

Het ziekenhuis staat dus grotendeels leeg. Overal staan lege gebouwen en er worden er nog veel bijgebouwd. Er heerst een ware bouwmanie. Maar obs en gyny is vol. Bomvol.

De verloskundigen kijken een beetje raar op als ik een ronde wil doen, maar uiteindelijk krijg ik er toch een mee.

- Hier liggen de vrouwen die net zijn bevallen, zegt ze, met een ruim gebaar naar de zaal. Ze blijven niet zo lang. Sommigen gaan dezelfde dag naar huis. Deze hier natuurlijk niet, bijvoorbeeld, deze hebben een keizersnee gehad. Maar dit is de ochtend van dag drie, dus mogen ze van mij naar huis.

- Is dat niet een beetje snel, vraag ik. Ik bedoel, de ochtend van dag drie, dat is anderhalve dag na de operatie.

- Ze kunnen naar hun eigen Health Centre.

- O. OK. Mag ik de wond zien?

- De wond?

- Ja. De operatiewond.

- Eh….ja, waarom?

- Nieuwsgierigheid?

De verloskundige, overigens een gezellige en kordate tante, begint omstandig, met een vies gezicht en een pincetje de rij pleisters los te peuteren. De patient krimpt van de pijn bij elke prutsbeweging. Het draait uit op en langdurige martelpartij.

- Nee, nee, zeg ik. Zo doe je dat niet. Ik pak het hele pakket en scheur het in een beweging los.

De patient gilt een keer en dan is het klaar. Er wordt hartelijk gelachen.

De wond ziet er uit als een kerstrollade, dichtgenaaid door Jules de Korte. Het is nog te kort dag voor een infectie, maar het kan niet lang meer duren.

- Gaat dat niet infecteren?

- Ze krijgen drie dagen metronidazole mee naar huis.

- Is anderhalve dag na de operatie niet een beetje kort?

- Er is geen plek om ze hier te houden.

Dat lijkt inderdaad een probleem. De bedden zijn vol en een paar vrouwen liggen op de grond op een matras. Hier en daar liggen er twee op een smal bed. Voeten naast hoofden. Het zal wel. 's Lands wijs, 's lands eer. Ik stuur er - tegen heug en meug - een stel naar huis. Het schiet wel lekker op zo.

- Watoto wako wapi? vraag ik. Waar zijn de kinderen? Ik zie geen babies.

- Hier, hier, zegt een van de vrouwen en na enig graafwerk tussen de doeken verschijnt er een frommelig bruin-rose koppie met een dot kroeshaar. Hij ziet er heel lief uit en hij doet het wel redelijk. Mtoto mzuri, lief babietje, stuntel ik en dat vindt iedereen heel grappig.

- Wakuna wawili, zegt de vrouw. Twee kinderen. Er is er dus nog een, ergens op het bed. We graven verder en ergens in de diepte verschijnt er tussen de katoentjes een tweede koppie. Deze gaat helemaal niet zo lekker.

- Deze doet het niet zo goed, opper ik bezorgd.

- Nee?

Ik graaf het kind tussen de doeken uit. Nog geen twee kilo, geel, uitgedroogd, intrekkingen, neusvleugelen.

- Nee.

- Mama, anakunywa? Drinkt het kind?

Nee, mama heeft geen melk.

- Hoe oud?

- Vier dagen.

- Heeft er al die tijd niemand naar het kind gekeken?

- Nee. We hebben geen tijd om naar de kinderen te kijken. Meestal zeggen de moeders het wel als het niet goed gaat.

Op zich kan ik me dat wel voorstellen. Er zijn gemiddeld twee verloskundigen op de afdeling, soms drie. Er bevallen tussen de 10 en de 20 vrouwen per etmaal. Soms zijn er 5 sectio's per dag. Probeer dan ook nog maar eens iets aan neonatologie te doen.

We leggen de baby aan de borst, maar er is geen melk. Het kind zuigt een keer of wat en geeft het dan, uitgeput, op.

- Deze baby heeft vocht nodig. Er moet een lijn in.

Er wordt gelachen. Nee, een lijn werkt hier niet. In een incubator misschien, maar er is meestal overdag geen stroom. En op de bedden wordt er de hele tijd gesold met die kinderen. Tussen al die lappen.

- OK. Een naso-gastric tube dan? Is er ergens een 6 of een 8?

Er wordt wat gerommeld in de wrakkige kasten in het kantoortje. Nee.

- Misschien heeft de supervisor er een.

Ik sukkel naar het kantoortje van de supervisor.

Die graaft op haar beurt in een paar gammele kasten, maar niets. Ik loop nog wat afdelingen af en vind uiteindelijk, wonder boven wonder, ergens een NG-tube van een geschikt formaat. We duwen hem door neusgat van het gele scharminkel en pompen er wat dextrose in.

Vervolgens improviseer ik een nasal prong met O2 die we in zijn andere neusgat duwen. en zo ziet het er - voor de tropen - heel gelikt uit. Het kind heeft ook nog een temperatuur van 35 graden en dus ik leg aan mama uit dat ze haar baby moet kangaroe-en. Dat geeft op zich ook weer de nodige hilariteit, maar in Afrika staat men open voor nieuwe ideeën, vooral als er wat te lachen valt. Dus worden moeder en kind, onder algemeen gejuich samen in een forse hoeveelheid lappen gewikkeld. Het kind krijgt elk uur 10 ml dextrose door de tube. Hoop ik. Een bloedsuiker kan niet krijgen want de strips zijn op en het lab heeft ruzie met de verpleging over wie bloed moet afnemen en dus zijn er al een week geen bloeduitslagen meer. We spuiten het kind voor de zekerheid maar vol met anti-biotica, alles geheel volgens protocol en hopen er het beste van.

We graven verder. Er zijn nog wel een paar watoto bij die wat ondersteuning kunnen gebruiken, maar deze NG-tube was duidelijk de laatste in het ziekenhuis en er is maar een O2-concentrator . Gasflessen moeten van 1400 km verderop komen en zijn te duur. Jammer dan.

We modderen verder. Pre-eclampsia, post-delivery eclampsia, DM, een psychotische (of gewoon hysterische?) 14-jarige moeder, veel gekreun en gesteun, de gebruikelijke problematiek. Dat gaat allemaal wel redelijk.

Aan het einde van het lange gebouw is een deur. Achter die deur is een kamer met een stuk of tien bedden. De gebruikelijke lappenwinkel met daaronder soms vrouwen en waarschijnlijk ook wat kinderen. En een soort weëe geur. Ik ken die geur.

- Dit is de septic ward, zegt mijn gids.

- De septic ward?

- Ja. Deze vrouwen hebben septic wounds.

- Van de sectio's?

- Ja.

- Allemaal?

- Allemaal.

Er liggen er een stuk of 10-12.

- Nou, laat maar eens kijken dan.

- Wil je de wonden zien?

- Ja, dat lijkt me wel een goed idee.

-Allemaal?

- Ja, allemaal.

We rukken grote hoeveelheden pleisters los. De wonden variëren in grootte, de grootste is een vierkante decimeter. De meeste zijn vuil, pussig, met groene slough (ik weet niet hoe zoiets in het NL heet, maar je kunt je er wel iets bij voorstellen).

- Wat doen jullie er aan?

- We maken ze schoon met chloorhexidine.

- Dat zullen de patiënten wel leuk vinden.

- Nee, maar we hebben niets anders. We moeten er zuinig mee zijn, anders hebben we helemaal niets.

- Dat is een hoop werk.

- Ja. We komen er ook lang niet iedere dag aan toe.

- Wacht eens even, zeg ik. Ik begrijp iets niet zo goed. Jullie sturen de vrouwen na een sectio anderhalve dag later naar huis omdat er geen plek is. Er is geen plek omdat er constant 12 bedden worden bezet door vrouwen die met geïnfecteerde wonden terugkomen naar het ziekenhuis. Volgens mij klopt er iets niet.

- Ja. We klagen daar al jaren over. Maar er gebeurt niets.

Ik maak, onder luid gekreun en gesteun een paar van de wonden schoon. Maar er is geen beginnen aan.

Ik leg het probleem voorzichtig bij mijn goede vriend J. neer. Ik heb al in heel wat ziekenhuizen gewerkt, zeg ik, maar ik heb nog nooit zoveel geïnfecteerde wonden gezien.

- Ja, zegt hij peinzend. Ja, dat is zo. Ik heb het er ook al eens over gehad met de Amerikaanse chirurg

die hier elk jaar komt. Hij vond het ook vreemd. We hebben toen een lijstje opgesteld van dingen die je er aan zou kunnen doen. Ik heb dat nog wel ergens. Maar het is er eigenlijk niet van gekomen.

- Ik weet precies wat er op dat lijstje stond, zeg ik. De meeste dingen kan een kind verzinnen. Het zijn ook geen dingen die veel inzet vragen. Leer je dokters hoe ze een wond moeten sluiten, houdt de vrouwen een paar dagen langer in het ziekenhuis, geef ze behoorlijke antibiotica, leer ze hoe ze hun wond moeten verzorgen. Als het overal elders in Afrika kan, waarom dan hier niet?

- Ja, zegt J. Dat is natuurlijk zo. Maar dat hebben we al zo vaak geprobeerd. Op de een of andere manier gaat het telkens toch mis. Dit is Afrika, weet je, zegt hij filosofisch glimlachend.

Ik heb kennelijk nog veel te leren.

Wordt vervolgd.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten