zondag 12 september 2010

TOVERKOL

Ik schrijf dit om 4 uur 's nachts. De wind giert om het hotel, waardoor het hier meer heeft van het kasteel van de Baskervilles dan van het hart van donker Afrika. Ik ben wakker geworden van het concert van klepperende deuren en ramen die niet willen sluiten. En van het janken van de wind.

Is het herfst hier? Lente? Ik weet het niet, maar het stormt al dagen. Ik heb een dikke winterjas aan, want aan verwarming doen ze hier niet.

Er is nog maar een lichtpeer over, de andere peertjes zijn uitgevallen, ze hebben een bajonetfitting en dergelijke peertjes heeft het hotel niet meer. Ze zijn kennelijk ook niet van plan ze te gaan kopen. Mijn speurtocht langs de vele minuscule winkeltjes in "de stad" heeft weinig opgeleverd tot nu toe.

Ik mag overigens blij zijn dat er überhaupt elektriciteit is, vannacht.

Ik heb een vriend. Het is een vriendelijke jongen van een jaar of twintig, die mij met mijn accu's zag sjouwen, die ca. eens in de week moesten worden opgeladen, omdat ze er dan de brui aan gaven.

De accu-oplaad-winkel, een onbeschrijfelijk goor hokje ter grootte van een invaliden-wc aan de hoofdstraat, vol met eigengemaakte transformatoren, onduidelijke draadjes en voorwereldlijke lasapparatuur, was maar een paar honderd meter lopen en dus sjouwde ik zo nu en dan, moedeloos, met mijn loodzware accu's (het zijn er twee) van het hotel naar het transformatorhokje.

Tot de vriendelijke jongen mij hielp met sjouwen.

Dat gaat geld kosten, dacht ik, dat sjouwen, maar je kunt zeggen wat je wilt van die Tanzanianen, en ik heb al heel wat van ze gezegd, maar behulpzaam zijn ze. En deze wilde geen geld. Hij hielp gewoon.

Hij had een beetje een raar hoofd, niet heel erg raar, meer een soort punthoofd en met van achteren ook een paar grote bulten. Maar hij sprak uitstekend Engels en hij was vriendelijk. Ik dronk een cola met hem en hij vertelde dat hij in Kenia op school was geweest en dat hij medicijnen wilde gaan studeren. Dit jaar was het er niet van gekomen, want zijn moeder had problemen, maar volgend jaar zou hij zich inschrijven voor een van de twee medical schools in het land.

Maakte hij een kans?

Nauwelijks, zei hij.

Hoezo, heb je geen goede cijfers?

Met cijfers heeft het niet veel te maken.

Waar dan wel mee?

Nou ja…kijk…er zijn 400 plaatsen en 3.000 kandidaten. Om mee te doen met de inschrijving moet je alleen al 450.000 TSH betalen (300 USD, dat is 2 x het jaarinkomen van de gemiddelde inwoner van Sumbawanga).

Krijg je dat terug als je niet wordt aangenomen?

Nee, die 4.5 lakh ben je kwijt.

En dan, moet je dan door een soort ballotage?

Ja.

En dan beoordelen ze je cijfers van de high school, of je motivatie, dat soort dingen?

Nee, dan moet je weer betalen. Hoe meer je betaalt, hoe groter je kans. Of je moet connecties hebben. Politieke connecties, begrijp je?

Dus de grootste stommeling kan worden aangenomen?

Ja. In wezen wel.

Dan zullen er wel een heleboel uit vallen in de loop van hun studie.

Ja, er vallen er een heleboel uit, die het niet volhouden, of die gewoon te dom zijn.

Maar jij denkt wel een kans te kunnen maken.

Ik kan het in elk geval proberen, zegt Ibrahim, want zo heet hij.

Ik verwacht nu een smeekbede om sponsorship, maar die blijft, wonder boven wonder uit.

Ik stel Ibrahim voor om in het weekend naar Lake Rukwa te rijden en een eind te gaan wandelen. Daar is hij helemaal voor in. Onderweg blijkt dat Ibrahim in meerdere opzichten bijzonder is.

Ben je moslim, vraag ik hem.

Nee, hij is christian.

Hoe kom je dan aan een Arabische naam?

Mijn familie is moslim.

Hoe komt het dan dat jij christian bent?

Ik ging naar een christelijke school in Kenya, omdat er geen moslim school was in de stad. Toen ben ik bekeerd.

Wat vinden je ouders er van?

Die vinden het heel erg.

Maar ze spreken nog wel met je.

Yes, but they challenge me, always. It is very difficult.

Ja, dat kan ik me wel voorstellen. Je bent nu een afvallige. Volgens de Koran zouden ze je moeten doden.

Ibrahim lacht.

Er staat zoveel in de Koran, zegt hij. Mijn ouders zijn goede mensen.

Als je zou trouwen en je trouwt een Christian girl, zouden je ouders dat accepteren?

Nee. Nooit. Ze zouden haar niet hun huis in laten.

Hoe moet dat dan?

Ik trouw een moslim meisje.

Twee geloven op een kussen, dat kan toch niet goed gaan. Kun je niet gewoon weer teruggaan naar de Islam?

Ik kan niet aan de gang blijven met bekeren. Dat vindt ik niet gewetensvol.

Ga je naar de mis?

Nee, eigenlijk nooit. Ik geloof wel en ik bid, maar de mis, dat duurt me allemaal te lang.

Wat is jouw religie, vraagt Ibrahim mij.

Ik heb geen religie.

Bid je niet?

Nee, zeg ik. Ik werk. Dat levert meer op. Misschien zouden meer mensen dat moeten doen.

Dat vindt Ibrahim erg grappig en we slaan de handen tegen elkaar, zoals men dat in Afrika gewoon is te doen, wanneer men iets grappigs heeft bedacht over het leven. En Afrikanen vinden het leven heel erg grappig.

Maar dat is niet het enige bijzondere aan Ibrahim. Ik neem hem vaker mee op wandelingen en hij blijkt een goede wandelaar te zijn en prima gezelschap.

Weet je, zegt hij, als we een van de vele kale hoge heuvels opsjouwen die het dal van Sumbawanga omgeven, hij fluitend, huppend van de ene steen op de andere, ik hijgend en zwoegend.

Weet je, er was gisteren een vergadering in mijn wijk.

O ja?

Ja. Ze hadden een heks betrapt.

Je meent het.

Het was een vrouw, die er van verdacht werd dat ze haar man had vermoord.

Een heks (hijg, hijg)? Had ze haar man vermoord met hekserij?

Ja. Ja.

Hoe zo dan?

Nou ja, haar man was politieman en op een dag zat hij op zijn kantoor en toen was hij omgevallen en toen was hij dood.

Maar dat hoeft toch niets met hekserij te maken hebben. Misschien had hij een hartaanval of zo, of een hersenbloeding.

Ja…nee, maar ze hadden die vrouw betrapt. Naakt.

Hoezo naakt.

Nou, ze zat ergens tussen een paar huizen en ze was naakt en ze was bezig met stokjes en vuur en steentjes en zo.

Met hekserij?

Ja, precies. Dan zijn ze naakt, die heksen. Anders werkt het niet.

En toen?

Nou, toen hadden de mensen van de buurt haar gevangen genomen en gisteravond was er een vergadering over haar.

Was zij er ook bij?

Natuurlijk!

Naakt?

Nee, ze hadden haar weer aangekleed.

En toen?

Ze bekende alles. Dat ze met hekserij bezig was en dat ze haar man had vermoord en zo.

Ze bekende dat ze haar man had vermoord?

Ja.

En toen?

Nou ja, toen werd er vergaderd over wat ze met de vrouw gingen doen.

Wat wilden ze met haar doen?

Eh…een aantal vond dat ze haar weg moesten jagen, de stad uit, maar er waren er ook een stel die vonden dat ze gedood moest worden.

Gedood?

Ja. Dat gebeurt regelmatig. Dat ze een tovenaar vinden of een heks en dan nemen ze hem mee naar de begraafplaats en dat slaan ze hem bewusteloos of dood en steken ze hem in brand.

Wat!? Maar dat is, nou ja…hoe heet dat…

Mob justice.

Ja, precies, mob justice. En hoe gaat dat dan in zijn werk? Wie beslist? De wijk-oudsten? Wordt er gestemd?

Ja, er wordt gestemd.

Hoe, met hand opsteken, of met applaus, of zo?

Nee, met briefjes.

Met briefjes?

Ja, met briefjes in een doos.

Kom op, Ibrahim. You're pulling my leg. Je denkt toch niet dat ik dit allemaal geloof. En de politie dan, was die er ook bij?

Ja, ja, maar die deden niets.

De wijk besluit om iemand om zeep te helpen en de politie doet niets?

Nee, die zijn bang. Bang voor het volk en bang voor de tovenaar.

Maar die is dan dood.

Ja, maar het is een heel netwerk. Deze vrouw bijvoorbeeld, haar vader is ook tovenaar en hij heeft ook nog een hoge politieke functie. Daarom hebben ze haar laten leven. Ze zijn bang voor haar. Alleen wat jonge heethoofden hebben gestemd voor haar dood.

En wie mag er bij zijn, bij die vergadering?

Iedereen. Het is openbaar.

Openbaar?

Ja, ze willen dat iedereen ziet wat er gebeurt. Anders komen we er nooit vanaf. Het is heel gevaarlijk hoor, en stiekum, al dat gedoe met die hekserij.

Iedereen die ik ken zegt dat al dat gedoe met witchcraft niet meer bestaat.

Ha! Wat een onzin. Heel veel mensen zijn er bij betrokken. Nu met de verkiezingen zeker. Heel veel kandidaten raadplegen witch-doctors. Er wordt veel geld aan uitgegeven. De witch-doctors hebben behoorlijk wat macht en aanhang. Sommige van de politici zitten zelf in de hekserij. Laat je niet voor de gek houden.

Maar jij gelooft daar toch niet in. Je bent een roma (katholiek). De kerk verbiedt je om in hekserij te geloven.

Er zijn genoeg bisschoppen die witch-doctors raadplegen.

He b je zelf wel eens iets meegemaakt?

Nee, alsjeblieft niet, maar er zijn verhalen van mensen die zomaar ziek werden of waarvan het huis door de bliksem werd getroffen, of die gek werden. Mijn grootvader sliep in het toilet, omdat hij dacht dat hij dan rijk zou worden. Ze hadden hem behekst. Het gebeurt vaak genoeg.

Maar je wilt dokter worden. Wetenschapper. Je kunt al die onzin toch niet geloven?

Ik ga af op wat mensen mij vertellen. Betrouwbare mensen.

Ibrahim is een prima jongen. Hij woont met zijn in-law in een huis. Het huis is van zijn broer en de in-law is een van de drie vrouwen van zijn broer. De broer heeft drie kinderen bij haar en vier bij elk van de andere twee vrouwen.

Is hij met al die drie vrouwen getrouwd?

Nee, alleen met de in-law. Dat is zijn officiële vrouw. Met de andere vrouwen is hij voor de moskee getrouwd. Niet voor de gemeente, begrijp je?

Hmm.

En wat vinden die vrouwen daar allemaal van.

Die vinden het maar niks, zegt Ibrahim. De in-law vindt het in elk geval niks. Soms komt de broer langs en dan vechten ze. Er vallen klappen. Ibrahim probeert het allemaal een beetje in de hand te houden, maar het is zijn oudere broer. Het is allemaal niet makkelijk.

En onderhoudt die broer die vrouwen allemaal?

Nou…nee, eigenlijk niet. De in-law (hij blijft haar consequent my in-law noemen) moet zelf aan de kost zien te komen. Eigenlijk. Ze werkt in een kapsalon. Maar dat levert niet veel op.

Wat vindt je daar nu van?

Mijn broer is eigenlijk een beetje een schurk. Maar ja…ik woon wel in zijn huis. Het is een moeilijke situatie.

Ja, dat kun je gerust wel zeggen.

Wordt, alweer, vervolgd.

VOETSTAPPEN

Vandaag dan toch maar naar dat Nationaal Museum. Waarom?

Kijk, er zijn twee soorten musea. Er zijn instituten als het Rijks, het Guggenheim, het Louvre, de Hermitage. Drommen toeristen slepen zich in devote aanbidding langs de must-have-seens van de mondiale erfenis, begeleid door de onvermoeibare apostelen van het artistiek bewustzijn, die hun bloemrijke perspectieven heldhaftig slijten aan hun uitgeputte volgelingen.

Mij niet gezien in dat soort tenten. Hoofdpijn.

Nee, geef mij maar een verlaten villa, in een achteraffe stad, waar een slaperige oude dame de relieken beheert van een vergeten mini-maatschappij. De tas en de tangen en van de onvergetelijke dorpsdokter, de blikken trommels van de lang ter ziele gegane kruidenierswinkel, de doopjurk van het kind van de dominee, die het ooit tot burgemeester van Deventer of Leeuwarden bracht. Foto's van nietszeggende, lang vervlogen notabelen, opgedirkt in witte boorden, moedig starend naar de camera obscura. De zachte pijn van verloren jaren, van gewone mensen die kwamen en gingen. Van indrukken die bij toeval achterbleven, vage foto's van zomermiddagen met overdrijvende wolken-velden en spelende kinderen in lang verdwenen parken.

Dat soort musea, daar lust ik wel pap van.

Gelukkig behoort het Nationaal Museum van Tanzania tot de tweede soort. Het is een heel gebou-wencomplex, het Nationaal Museum, maar uiteindelijk blijkt het maar een paar zalen te bevatten. De benedenverdieping is gewijd aan de geschiedenis van Tanzania. Dat wordt smullen. Roestige zwart-wit foto's van heldhaftige sultans, geflankeerd door hun ernstige en wat schrikachtig kijkende getrouwen, die ooit de wapenen opnamen tegen de gehelmde Duitse kolonialisten. Diezelfde sultans, later, in ketenen, het vuur in hun ogen uitgeblust, gelaten wachtend op hun executie, nadat hun speren en hun antieke vuurkracht het af hadden moeten leggen tegen die van Der Kaiser c.s. Maar ook een borstbeeld van de besnorde Duitse bioloog, die 20.000 hennepplantjes liet komen uit de US, waar er uiteindelijk maar 10 van overleefden, maar die desondanks de sisalcultuur van de grond kreeg. Dr. Livingstone ontbreekt niet, de arts -missionaris die zijn leven weidde aan de "ontdekking" van Afrika en aan een niet aflatende strijd tegen de slavenhandel. En Stanley, de man die hem, na zijn "verdwijning" opspoorde in opdracht van The New York Herald, "midden in donker Afrika" . "Mr. Livingstone, I presume?" Stanley was een overigens een boef van een veel minder allooi dan de integere en menslievende man die hij vond aan de oever van Lake Tanganyika. Stanley legde - met behulp van forced labour een groot deel van de Congo open voor Leopold II van Belgie, die het gebied uiteindelijk tot zijn privé bezit verklaarde en er een van de grootste massamoorden uit de geschiedenis van de mensheid op touw zette.

Zo moeilijk was het trouwens niet om Livingstone te vinden. Je stelt je zo voor dat Stanley, zich een weg hakkend door duizenden kilometers ondoordringbaar oerwoud, plotsklaps, als door een wonder, Livingstone aantreft bij een geïmproviseerde barbecue. Maar de standaard route vanaf de kust, door goed begaanbare savanne werd al eeuwenlang zwaar bereisd door de goudzoekers en slavenhalers van die tijd. Iedereen langs de kant van de weg had de mzungu dokter voorbij zien komen. Die kant op Stanley, je haalt hem vast nog wel in!

Na de dikkoppige Duitsers, met hun Kaiser Wilhelmsnorren, komen de Engelsen. Smalle gezichtjes, kleine brilletjes, grijze snorretjes, wat minzamer misschien, maar dezelfde "beschavingsmissie", dezelfde arrogantie. Warme zomermiddagen, grasvelden voor koloniale villa's, wapperende kanten hoeden en rokken, gesteven boorden, tropenhelmen, halflange khaki broeken en kniekousen. Tanzanianen brengen verfrissingen rond in hun witte tunieken. Het leven was goed. De kleinzoon van de sultan mocht inmiddels ook aanschuiven.

Dan de onafhankelijkheid. Foto's van de jonge Nyerere, die een menigte verward kijkende landgeno-ten wijst op de mogelijkheid, nee, de noodzaak van onafhankelijkheid. Diezelfde Nyerere, een paar jaar later, 1961, samen met de governor-general op de weg naar de machtsoverdracht. The governor, het levende symbool van het verleden, tragi-komisch in zijn bizarre uniform, wit gehandschoend, van top tot teen behangen met tressen, medailles, degens, sterren, het geheel bekroond door een potsierlijke helm met wuivende struisvogelveren. De opgedirkte paljas van een stervend wereldrijk. Daarnaast Nyerere, de toekomst, toen al in een Mao-tuniekje, een toonbeeld van eenvoud en eerlijkheid, de hoop van een volk dat op het punt staat zijn waardigheid te herwinnen, de rijzende ster van een nieuw Afrika.

De volgende foto toont Nyerere's eerste kabinet. Tien ministers, waarvan drie Engelsen, waaronder de governer-general. De Engelsen zitten nota bene pontificaal in het midden op de voorste rij. Ze kunnen het echt niet afleren. Gesteven boorden, 3-D, brilletje, snorretje. De blikken zijn star. Maar misschien mocht je in die tijd nog niet bewegen, als je op de foto ging. Nyerere zelf zit een beetje aan de kant. De zeven overgebleven ministers zijn mogelijk alle intellectuelen die het land op dat moment bij elkaar kon brengen. Nyerere begon bij af.

Er is een zaal met weinig boeiende ethnografie. Er is een zaal met dode vissen en andere dieren.

En er is een zaal met voetstappen. Een hele zaal voor drie of vier voetafdrukken in klei. Giant steps for mankind? Jazeker. Zoals Neil Armstrong voetstappen op de maan zette in 1961, zo zette de mens zijn eerste voetstappen op aarde ooit op Tanzaniaanse bodem. En dat wil men hier weten ook.

Voor de liefhebbers is hier het verhaal.

Mary Leakey was de vrouwelijke helft van het beroemde en soms ook wel een tikkeltje beruchte Leakey echtpaar dat in Ethiopië het skelet vond van Lucy. Deze Lucy heette overigens, toen ze nog geen skelet was, naar alle waarschijnlijkheid geen Lucy. Ze heette helemaal niets. Het was zeer de vraag of er in Lucy's tijd namen werden gebruikt. Lucy werd waarschijnlijk voor het eten binnen geroepen met een grom of een brul. Lucy leefde 3 miljoen jaar geleden. Het is ook uiterst twijfel-achtig of Lucy er enig idee van had dat zij een specimen was van de soort Australopithecus Afarensis, een aapachtig dier waarvan een nakomeling, Mary dus, 150.000 generaties later, met een borsteltje en een schepje haar skelet zou opgraven en haar wereldberoemd zou maken.

Diezelfde Mary deed in 1976 nog een verrassende ontdekking. In Noord Tanzania vond zij een paar voetafdrukken. Op zich niet wereldschokkend, veel Tanzanianen gaan blootsvoets. Maar Mary kon bewijzen dat deze voetafdrukken waren gemaakt in een 3.6 miljoen jaar oude vulkanische aslaag, die daarna met nieuwe as was bedekt en bewaard was gebleven. Meer recente erosie bracht de voet-stappen opnieuw aan het daglicht, waarop Mary ze vond.

De vraag was: waren dit voetafdrukken van mensen. Waren dit de eerste voetstappen van het soort dat duizenden millennia later niet alleen het World Wide Web uitvond, maar zover was geëvolueerd dat het over een drukknop beschikte om al die 3.6 miljoen jaar evolutie binnen in enkele seconden teniet te doen.

Spannend.

Wat onderscheidt de mens van de aap, zijn naaste verwant. Het antwoord is al met al toch nog lach-wekkend gecompliceerd. Natuurlijk, wij hebben meer hersenen, maar de structuur ervan is vrijwel hetzelfde. Wij gebruiken onze handen, maar dat doen apen ook. Wij kunnen lezen, apen ook een beetje. Wij hebben taal, apen ook, al is het rudimentair. Apen hebben zelfs gevoel voor humor, mogelijk meer dan velen van ons. In elk geval meer dan de meeste SP'ers. Of Vladimir Poetin.

Evolutionair gesproken is de vraag echter niet die naar het onderscheid, want dat is er beslist wel, maar naar het punt waarop de evolutionaire weg zich splitst: waar staat er een bordje: mens rechts, aap links. (De politieke implicaties van dit plaatje zijn geheel voor mijn rekening). Is het op het moment dat er instrumenten worden gemaakt en gebruikt? Is Homo Habilis de eerste mensachtige? Apen gebruiken overigens ook instrumenten, al ontbreekt de systematiek een beetje. Is het taal-gebruik? Is Homo Sapiens onze echte voorloper? Mogelijk, maar het begin van taalgebruik is niet te achterhalen. Nee, uiteindelijk hebben wij min of meer besloten dat het allemaal is begonnen met lopen op de achterpoten, m.a.w. rechtop door het leven gaan. Apen kunnen dat ook, maar enkel een klein stukje, een beetje waggelend, het is eigenlijk geen gezicht. Nee, rug recht, schouders naar achteren, kop op, apen van Jan de Wit.

3.6 miljoen jaar geleden slenterde er dus door die die aslaag van de Olduvai Gorge in Tanzania een klein gezelschap, waarschijnlijk drie man sterk. Pa ging voorop, Moe er achteraan, deels in de voetsporen van Pa. (In sommige delen van de wereld is er weinig veranderd). De kleinere voetstap-pen er naast moeten van Zoon of Dochterlief geweest zijn. De officiële naam voor hun slentergedrag was "small-town gait". Het is een ontroerend beeld.

Maar hoe weten we nu dat ze rechtop liepen? Want we hebben alleen maar voetsporen. Wel, om te beginnen waren er geen knokkelsporen. Ze liepen dus niet als gorilla's, steunend op hun vuisten. Critici, want om een discipline als paleontologie aan de praat te houden heb je critici nodig, merkten op dat gorilla's ook wel eens een stukje op hun achterpoten lopen, mogelijk zelfs gezinsgewijs. Als de familie, laten we ze maar even de Jansens noemen, in aanmerking wilde komen voor stamvader/ moeder status, dan moesten ze natuurlijk niet bij de eerste de beste gelegenheid weer in hun oude viervoetergedrag terugvallen. Nee, fier rechtop en onvervaard, als echte proto-Hollanders.

Om rechtop te lopen, zou een botje in de voet, het os naviculare, op een bepaalde manier gevormd moeten zijn. Zo zou er een holvoet ontstaan en die zou dan duiden op rechtop lopen. Nu zijn er twee moeilijkheden: ten eerste hebben wij geen os naviculare van Lucy. En we gaan er min of meer van uit dat de Jansens, evenals Lucy Austropithecus Afarensis waren, ook al zijn Lucy en de voetstappen meerdere duizenden kilometers van elkaar verwijderd gevonden. De Australopitecussen moeten dus heel wat af hebben geslenterd met hun small town gait. En ten tweede: de Jansens hadden duidelijk platvoeten. Balen.

Geen nood, zeggen de paleontologen, vandaag de dag heeft Jan en Alleman platvoeten en je kunt er prima op lopen, met of zonder inlegzooltjes. Bovendien hadden de Jansens niet opponeerbare grote tenen, die in de lengterichting van de voet lagen; een duidelijk teken van tweebenigheid.

Weer andere paleontologen beknibbelen op het gezinsleven van de Jansens. Het nucleaire gezin, zo zeggen zij, is het resultaat van de postindustriële collaps van de extended family. Het is niet het oorspronkelijke samenlevingsverband van de mens. Die leefde in roedels. Het gezinnetje, zeggen deze querulanten, de Jansens dus, als familie, als idee, zijn een uitvloeisel van het 19e eeuwse kapitalisme en dat bestond 3.6 miljoen jaar geleden nog niet. Althans, dat mogen we aannemen. Met andere woorden, het beeld van een gezinnetje, dat, al slenterend, de eerste, bijna symbolische schreden zet op weg naar full HD TV en The Electronic Highway is een zielig stukje romantiek, ontsproten aan het brein van de redactrice van Libelle. Aha!

Het museum hangt overigens vol met fraai geschilderde afbeeldingen van reconstructies van de Jansens. Hoe je uit een voetafdruk een afbeelding van een mensaap kunt reconstrueren is mij ondui-delijk. Bij de rechtbank zouden ze je niet serieus nemen. (Behalve in Nederland). In elk geval had men van het uiterlijk schoon van de Jansens geen hoge pet op. Zij lijken nog het meest op de gemiddelde bezoeker van de Bunnik-zijde van het stadion van FC Utrecht, maar dan nog iets behaarder en zonder Nikes en racistische T-shirts. Australopitecus Hooligonensis.

Maar goed, we willen nu eenmaal graag dat het daar is begonnen, dat de mens daar de eerste stappen heeft gezet van zijn grote, onafzienbare zwerftocht, eerst zich verspreidend over de aarde, toen naar de maan en als het aan Barak Obama ligt binnenkort naar de rest van het zonnestelsel of de rest van de Milky Way. Wij willen nu eenmaal graag dat er van alles een eerste is. Het eerste vliegtuig, de eerste radio, de eerste barbie-doll, Chantal's eerste stapjes op video, de eerste stapjes van de mens in de as van Laetoli.

En we willen ook graag precies weten wanneer het was. Als het even kan op de dag af. 12.000 jaar geleden, op 4 april, om 13.35 staken de eerste Jansens de Beringstraat over op weg naar Patagonie. Over zoiets kun je heel lang ruzie maken. 20.000 jaar geleden? 30.000 jaar? Wie kan het in vredesnaam iets schelen.

Er komt een museum, speciaal voor de voetstappen van Laetoli, platvoeten of geen platvoeten. Ter plekke,waar ze zijn gevonden, in Laetoli. De UN zal het wel betalen. Of de Denen, die zijn gek op cultuur. Het museum krijgt de vorm van een voet. Met tenen. En misschien wel met een inlegzooltje.

Buiten staat, onder een vervallen afdak, de geschiedenis van Tanzania in auto's. De Rolls van de Governor, de Rolls die Nyerere, na de onafhankelijkheid, kado kreeg van The Queen. Niks voor Julius, die reed liever in een krakkemikkige Morris Minor. Uiteindelijk, na zijn aftreden, kreeg hij toch nog een mooie witte Mercedes kado. Daar is hij uiteindelijk, in 1999, veertien jaar later, mee naar de regerings-jet gereden die hem naar Engeland vloog, om zijn leukemie te behandelen. Hij is nooit terug gekeerd. De auto's staan er verloren bij. En een beetje roestig. Een klein beetje als de erfenis van Julius zelf. Trots en van goede wil. Maar starten doen ze niet meer.

Als ik buiten kom loop ik de conservatrice van het museum tegen het lijf.

Toch wel indrukwekkend zeg ik. Die afdrukken. En dan te bedenken dat het allemaal hier is begon-nen, met de mensheid. Eigenlijk zijn wij allemaal Afrikanen.

Ze lacht.

Ja, en het is een wonder dat ze het zolang hebben uitgehouden hier, zegt ze. Het heeft een paar miljoen jaar geduurd voordat de mensheid de rest van de wereld is gaan verkennen. En toen ze daar aankwamen hebben ze zich toch een stuk sneller ontwikkeld dan de Afrikanen.

Vindt je?

Het lijkt me wel. Kijk om je heen.

Hmm, zeg ik. Daar kun je verschillend over denken. Een paar mensen hebben ooit het buskruit uitgevonden. Die woonden toevallig niet in Tanzania. Als dat wel zo was geweest, was het misschien anders gelopen. Afgezien daarvan is er genoeg beschaving ontstaan, tussen Cairo en Kaapstad. Het ligt er ook maar aan wat je beschaving noemt. Er zijn voldoende grote en belangrijke culturen geweest in Afrika, de afgelopen duizenden jaren. Ook in "donker" Afrika. Alleen zijn ze nooit op schrift gesteld. Maar dat geldt bijvoorbeeld ook voor de Inca's. Aan de andere kant zijn er grote gebieden,zelfs hele continenten, waar nooit zogenaamd hoogstaande culturen zijn gevormd, zoals Noord-Amerika. Daar hoor je niemand over. Het idee dat juist Afrika, en alleen Afrika een land was van primitieve wilden, dat alleen door contact met de Arabische en de Europese cultuur en beetje is opgebloeid is even onjuist als absurd. Het is grappig dat ik hier, als blanke, Afrika moet verdedigen tegen de Afrikanen, zeg ik glimlachend.

Doe je best, antwoordt ze, met een al even stralende lach. Je zult niet veel Afrikanen aan je kant vinden.

We praten er nog een keer over, zeg ik lachend.

PEEDS

Dokter, dokter.

Een vrouw klampt me in het gangpad tussen de afdelingsgebouwen aan. Zo doe je dat als je hier ge-zondheidszorg wil krijgen. Je loopt het ziekenhuis binnen en je klampt iets aan dat er uit ziet als een dokter. Een bleekneus met een stethoscoop om zijn nek, bijvoorbeeld. Of je gaat op een bank zitten, voor iets dat er uit ziet als een spreekkamer en dan hoop je dat wordt binnengeroepen door een arts. Of iets dat daar voor door moet gaan. Als dat niet zo is, dan ga je op de vloer liggen,en wacht af tot er iemand notitie van neemt. Soms werkt dat.

Dokter, dokter.

Deze vrouw neemt mij aan de hand mee naar Wardi 6. In Wardi 6 liggen de kinderen. Het is de pedia-tric ward, afgekort peeds. De kinderen hebben allemaal hun moeders bij zich, om te helpen met de verzorging. Als je je moeder niet bij je hebt, dan kom je er niet in, want er is maar een verpleegster voor de hele afdeling en er liggen soms 25-30 kinderen. Op de inadequate care unit, waar zelden meer dan twee patiënten liggen, is ook altijd één verpleegster aanwezig, als ze tenminste niet aan het shoppen is, of op visite bij haar Tante Telezia. Op de privé afdeling, waar meestal niemand ligt, zijn er altijd twee nurses. Die mensen, die er niet zijn, betalen immers voor quality care. De kinderen liggen hier met hun moeders in een bed, als er tenminste bedden genoeg zijn, anders liggen er twee moeders met twee kinderen in een bed. Hoe ze dat precies voor elkaar krijgen is mij nog altijd niet duidelijk, maar het kan. Gezond kan het niet zijn, maar wie maalt er hier om gezondheid.

Ik kwam er wel eens een enkele keer, op de peeds wardi. De dokter die hier doktert, een vriendelijke en spraakzame jongen, doet het niet slecht. Ik bemoei me niet zo met de kinderen. Ik heb mijn han-den vol aan de volwassenen. En aan mezelf, want ik ben nog steeds doodmoe van de maligne hoge bloeddruk en van de pillen tegen de maligne hoge bloeddruk en van het conditieverlies na zeven maanden gestrompel met een knie die het niet wilde doen. Het gaat weliswaar beter, maar ik wil me eigenlijk met chirurgie gaan bemoeien. Dan kan ik zelf ook nog iets leren, in plaats van dag in en uit tevergeefs te proberen orde in deze chaos te brengen. Er lopen hier tenminste twee chirurgen rond die een buik open en dicht kunnen maken, zonder dat de patient (altijd) overlijdt. Zegt Prof. Skip en die kan het weten, want die is professor in de chirurgie aan de universiteit van Phoenix. Arizona. USA.

Dokter, dokter.

Ik loop de afdeling op, een bizar circus van schreeuwende koters, wapperende muskietennetten, klepperende ramen zonder ruiten en een visuele kakofonie van bont bedrukte lappen, die niet alleen als jurken dienen, maar tegelijk als lakens en dekens voor moeder en kind. De moeder wijst mij op en hijgend kind met weggedraaide ogen en blauwe lippen. Ik kijk eens om mij heen, maar er is geen verpleging (lunch? shopping?) en er is geen arts. In een hoek staat een O2-concentrator.Een neus-sonde is nergens te vinden, maar ik heb nog ergens een geheime voorraad maskertjes, het restant van een strooptocht door geheime kasten vol met lang vergeten schenkingen van goedwillende internationale helpertjes. Nu nog een slang om de zaak aan elkaar te sluiten. Na een kwartiertje ploeteren heb ik de saturatie op 95. (Dank aan de Stichting Tandoe, voor het buitengewoon ingeni-euze vingerklemmetje met schermpje, SpO2 en HR, state of the art, euro 110, dat ik altijd in mijn zak draag. Pols 130).

Een lijn. Een lijn. Een lijn?

De voorraadkast is dicht, want de nurse heeft de sleutel meegenomen, maar ik weet dat er toch niets in de kast ligt, dus ik schooi het ziekenhuis af, op zoek naar een cannule en een giving set en een hal-ve liter 5% dextrose. De cannule scoor ik uiteindelijk op de operatiekamer (connecties!), maar de rest moeten pa en ma zelf maar gaan kopen in de apotheek aan de overkant, inclusief de anti-biotica.

Zoals inmiddels bekend zijn dit spullen die afkomstig zijn van de regering en van donors, maar die op de een of andere manier de weg naar het ziekenhuis kwijt zijn geraakt op de lange tocht van de hoofdstad naar hier. Maar ma heeft geen geld. Dus geef ik haar geld.

Na een uurtje druppelt er wat suiker in de arm van het kind, dat een glucose van 2.7 blijkt te hebben, dat krijg je van al dat gehijg, (mijn eigen glucosemetertje, dank Stichting Tandoe). De verpleging is inmiddels gearriveerd.

Waar is de dokter, vraag ik in mijn onschuld.

Dokter? Jij bent de dokter.

Nee, die jongen die hier altijd rondloopt. Aardige vent.

Die hebben we al een tijd niet meer gezien.

Hoelang al niet?

O, al een dag of wat. Ik weet het niet precies.

Waar is hij dan?

Geen idee.

Is er geen vervanging?

Vervanging?

Ja, iemand moet toch de ronde doen?

Nou ja, als de kinderen binnenkomen, dan worden ze toch gezien? Een dan schrijft de dokter iets voor en dat geven wij dan. En…eh…als er iets aan de hand is, dan roepen we een dokter. Er loopt er altijd wel een rond.

Nou, met dit kind is wel het een en ander aan de hand. In de status staat malaria, maar dit kind heeft een gigantische longontsteking. Als we niets doen maakt hij het niet lang meer.

O. Ja weet je.. kijk… hier hebben ze eigenlijk allemaal malaria. Of diarree en braken. Daar raken ze meestal ook buiten adem van. En hoofdpijn. Maar je, als ze geen hoofdpijn hebben van de malaria, dan krijgen ze het wel van de quinine.

Het patroon herken ik van de volwassenen. Iedereen die zich bij de ingang meldt heeft per definitie malaria (M), of diarrhoea and vomiting (D&V), of allebei. Iedereen gaat aan de quinine en aan een tamelijk absurde combinatie van intraveneuze metronidazole en orale erythromycine en dat was het dan. Hoor ik: hoofdpijn?

Kom, zeg ik tegen de verpleegster. We gaan de ronde doen.

De ronde? Nu?

Precies. Nu. Kom op met de statussen.

Ik vindt twee maal meningitis, gediagnosticeerd als M&D&V. Vreemd, want van diarree of van braken was geen sprake, wel van ernstige nekstijfheid. Bij het strekken van de beentjes, gillen de half-coma-teuze schatjes het uit.

Nog 2 maal longonsteking (M&D&V), een maal ondervoeding en uitdroging (M&D&V), twee maal stadium 3 AIDS (M&D&V) en nog zo het een en ander. (Een gigantisch "rijp" absces in de nek, ja de dokter zou het "opereren", maar dat is inmiddels 5 dagen geleden). En alles hangt braaf aan de infus-en met quinine. De enige winst daarvan is dat de schatjes het een en ander aan vloeistof binnen krij-gen. Wel wordt er standaard overgedoseerd met quinine en erg prettig is dat niet, want quinine is gemeen spul.

Om tien uur 's avonds heb ik de hele boel een klein beetje op orde. De verpleegster is lief en behulp-zaam. Een belangrijk deel van de medicamenten heb ik zelf gekocht bij de apotheek aan de overkant, want de moeders hebben, zoals gewoonlijk geen geld bij zich en vader kwam niet op het bezoekuur, die had iets anders te doen. Vaders zie je sowieso zelden of nooit op de kinderafdeling. Als nu in vre-desnaam morgen die andere knaap maar terugkomt.

Maar de volgende ochtend is de andere knaap er niet. Ik ben een kind kwijt, het kinderlijkje ligt nog stil op het bed, opgerold in de bonte doeken van zijn moeder, maar de rest lijkt - tegen wil en dank - een beetje op te knappen. Ik zoek naar Jasper, om te zorgen dat er iemand komt om te helpen, maar die is er niet. Ik ploeter door. De volgende dag begrijp ik dat ik er een "kind" bij heb.

Naast de afdeling volwassen interne, de ICU, de privé-afdeling interne en een stuk van de out-patient interne (de reumatische dokter M. heeft er inmiddels zo goed als de brui aan gegeven, nu ze merkt dat ik 3 woorden Swahili spreek), ben ik nu kennelijk ook de kinderarts. Gemiddeld toch al gauw tussen de 40 en de 60 patiënten. Daarbij zal ik ook nog een deel van de verpleging moeten doen, want die trekken het niet of ze zijn verdwenen. Toch sjouwen hier een stuk of 10 "artsen" rond. Niet altijd dezelfde. Ze zijn vaak weg. Op cursus. Wat ze er leren mag god weten, want in de praktijk ko-men we niet veel verder dan M&D&V. Al jaren niet. Het is dus niet makkelijk om ergens "vervanging" voor te vinden. Ik lijk uit te groeien tot de grote "vervanger" hier. En ik ben moe. Heel moe. Vooral van de krankzinnige chaos in dit ziekenhuis. Maar mijn knie doet het weer en mijn bloeddruk is weer helemaal safi kabisa. Dat dan weer wel.

Ik gaf aan dat het verhaal van het lab nog een vervolg zou krijgen. Hierbij dus.

Dokter, dokter…ah, dokter!

Het hoofd van het lab is terug. Terug van vakantie. Charmante vrouw, beetje mollig, inmiddels, maar moet vroeger een schoonheid zijn geweest.

Dokter, het lab is ingestort. Niets doet het meer. Wij moeten praten. Komt u alstublieft mee naar mijn kantoor.

Het kantoor. Gloednieuw meubilair, airco (waar dat goed voor is mag God weten, het is hier stervens koud). Dokter, u bent toch langs geweest, met dr. Nduasinde (Jasper). U gaat ons helpen dokter. Ik wist het, toen ik u zag wist ik het meteen. U gaat ons helpen.

Waarom denkt u dat ik u ga helpen?

Omdat u iedereen hier helpt. Geef ons geld om alles weer aan de praat te krijgen.

Geld? Waarom zou ik u geld geven?

Er gaan mensen dood, dokter. Dat kunt u toch niet laten gebeuren. U hebt de oplossing. U hebt ons laten zien hoe het moet. Het gaat om een paar honderd dollar. Toe, dokter.

Ik denk dat er hier sprake is van een misverstand. Ik laat niemand doodgaan, dat doet u.

Hoe kunt u zo iets zeggen.

Dat zal ik u precies uitleggen. Dit lab is twee weken geleden al ingestort en niemand doet er iets aan. Als ik geen initiatieven genomen had om de boel weer aan de praat te krijgen, dan hadden jullie hier allemaal over een half jaar nog in jullie neus zitten peuteren. Als er hier mensen sterven, dan is het omdat jullie te beroerd zijn om de armen uit de mouwen te steken. Het enige wat jullie doen is op anderen zitten wachten om de kar uit de modder te trekken. En nu nog eens wat: er wordt in dit zie-kenhuis aan alle kanten gestolen en geroofd. Denk je nu werkelijk dat ik mijn geld ga stoppen in een ziekenhuis dat door het grootste deel van het personeel alleen maar gebruikt wordt om hun zakken te vullen. Denk je werkelijk dat ik stapelgek ben?

(En dan kan ik het niet laten). Weet je, die mensen die hier sterven, en ze sterven bij bosjes, dat zijn jullie mensen. Als jullie te besodemieterd zijn om ze te redden, waarom zou ik me er druk over moe-ten maken. Vertel me dat eens.

Maar het lab, dokter, het gaat alleen maar om het lab.

Het lab is net zo corrupt als de rest van het ziekenhuis. Ik doe hier mijn werk. Als er straatarme men-sen sterven omdat ze de prijzen niet kunnen betalen van de medicijnen die jullie uit het ziekenhuis gestolen hebben, dan ben ik zo nu en dan gek genoeg om ze ze kado te geven. Maar denk je nu werkelijk dat ik de zakken ga spekken van een stelletje gangsters? Zoek het maar uit. De groeten.

Ik zeg het allemaal lachend. Ze lacht vriendelijk terug. Zo doe je dat in Tanzania. Wordt vervolgd.

Als ik het lab uitkom, staat er een oude, vriendelijke nurse voor mijn neus.

Ik heb slecht nieuws, dokter. Ze kijkt er sip bij. Het is een best mens.

Yusta is dood.

Yusta is dood.

Goh, zeg ik. Jezus. Wat lullig. Toch nog…

Yusta is het twintig-jarige meisje dat iedereen had opgegeven, nadat ze een dood kind ter wereld had gebracht en in coma was geraakt met een levensgrote sepsis. Met kunst en vliegwerk, met schreeu-wen, foeteren, bidden, smeken, met van overal en nergens aangesleepte medicijnen en voedingswa-ren had ik, in weerwil van de ene krankzinnige verpleegkundige blunder na de andere, haar in leven gehouden. Na een week was ze wakker geworden. Ze had 4 fistels, er kwam faces en urine uit haar buikwond en haar vagina, ze had overal doorligplekken, maar ze leefde, je kon een beetje met haar praten en ze glimlachte naar me.

En nu, acht weken later, was ze dood.

De nurse vertelde dat ze het voedsel dat haar moeder haar trouw elke dag voerde had uitgebraakt en toen had ze er maar weer een buis ingestopt, want zonder eten kan een mens niet leven en toen had ze er een heleboel pap in gegoten en die had ze ook weer uitgebraakt en toen was ze plotseling opgehouden met ademen. Het speet haar heel erg.

Het lieve mens was werkelijk ontdaan. Natuurlijk, ik had haar tien keer uitgelegd dat mensen niet doodgaan van het overslaan van een maaltijd en dat je semicomateuze brakende patiënten niet vol moet gieten met pap en ik had haar eigenlijk haar nek om moeten draaien, maar ik ben moe. Echt waar, je kunt het hier niet winnen. Ze hebben platen voor hun kop, daar kom je met een elektrisch aangedreven slaghamer (krachtstroom) niet doorheen. En het is echt een best mens. Zij was een van de weinigen die mij gelijk gaf, met mijn foetercampagne.

We gingen maar eens kijken. Daar lag ze dan. Dezelfde wat glazige, afwezige blik die ze altijd al had. En die opleefde als je haar over haar met veel zorg door haar moeder gevlochten kroezige haar aaide en haar vroeg hoe het met haar ging.

Gaat het al een beetje beter?

Ndiyo…iwezavyo.

Yes, somehow…

En dan een glimlach.

Elke keer als ik binnenkwam keek ik van een afstand naar de grauwe paardendeken om te zien of hij nog op en neer ging. En elke keer haalde ik opgelucht adem als er nog beweging in zat. Uit gewoonte keek ik nu weer. Maar er zat geen beweging meer in. Echt niet. Nee…toch…nee, echt niet. Uit haar mondhoek druppelde wat schuimende vloeistof. Het soort vloeistof dat je uit je longen probeert te hoesten als iemand pap in je luchtpijp blijft gieten. Ze had het uiteindelijk toch verloren. Niet van de bacteriën of van het noodlot, maar van de domheid en de stijfkoppigheid.

Ik deed Yusta's ogen dicht en keek naar de nurse. Ze is een oud mens met een gegroefd, lief gezicht. Een grote, brede mond met een glimlach om tien onweersbuien mee te verjagen. Al een beetje krom, maar ze houdt vol. Met liefde. Je kunt niet kwaad op haar worden, al zou je het willen.

We hebben hard voor haar gevochten, zeg ik.

Ja, zegt ze. Het spijt me.

We hebben gewoon niet alles in de hand.

Nee.

En we hebben Pauline nog, zeg ik, troostend. Om te laten zien dat ik het haar niet kwalijk neem.

Pauline kwam drie weken na Yusta aan op de afdeling inadequate care. Met precies hetzelfde probleem. Post-puerperal sepsis. Ook die heb ik - eveneens tegen wil en dank- in leven kunnen houden. Maar Pauline is niet wakker geworden. Althans nog niet. Pauline ligt tegenover de dode Yusta. De nurse voert haar dagelijks haar pap door de naso-gastric tube.

We keren de dode Yusta de rug toe en lopen aarzelend naar het bed er tegenover. Pauline heeft geen fistels en - wonder boven wonder - maar een doorligplek. En haar ogen zijn open. Althans soms. Vandaag in elk geval wel. En vandaag lijken ze meer uitdrukking te hebben dan anders. Het lijkt alsof ze kijkt.

- Zou ze ons zien, zeg ik tegen Nurse.

- Je zou het haast denken, zegt ze. Misschien kan ze ons wel horen, maar kan ze niets zeggen. Pauline, Pauline, wordt wakker.

Pauline knippert met haar ogen.

Zeg tegen haar dat ze met haar ogen moet knipperen, als ze je hoort, zeg ik tegen Nurse.

Nurse zegt het tegen Pauline. In het Kiswahili.

Pauline knippert. Een maal. Daarna nog een keer. En nog een.

Volgens mij knippert ze gewoon de hele tijd.

Knipper met je ogen, Pauline, een keer, als je me hoort.

Pauline knippert.

Het lijkt er toch echt op, zeg ik. Aarzelend.

Ja, misschien.

Ik pak haar hand.

Pauline, Pauline, knijp in mijn hand. Knijp in mijn hand.

Maar Pauline knijpt niet in mijn hand. Ze knippert wel met haar ogen.

Misschien moeten wij haar hersenen stimuleren, oppert Nurse.

Ja, met een radio, of zo. Misschien verveelt ze zich.

Of ik kan iets lekkers voor haar koken.

Ze kan niet eten.

Nee, maar ze kan het wel ruiken. Wie weet?

Het valt te proberen.

De jongens van het mortuarium komen het lichaam van Yusta ophalen.

Van top tot teen gewikkeld in de kleurige omslagdoeken van haar moeder, wordt ze op een brancard gelegd en weggereden.

Ik glimlach nog maar een keertje naar haar. Naar de bonte toddehoop van Nigeriaanse katoentjes.

Yusta hoeft niet meer verder.

Ik nog wel. Ik moet nog een tijdje.

Ik vraag me vaak af hoe lang nog. En vooral hoe.

Maar het zal wel lukken, op de een of andere manier.

Iwezavyo.

VERLOREN ZOON

Om 7.00 gaat de telefoon. Op Zondag. Om 7.00 uur. Wat nou weer?

Het is Mariama, de vrouw van het Kinderhaus. Ze heet eigenlijk Marianne, maar ze werd een tijdje Mama Marianne genoemd. Op zich niet verbazend, met negen kinderen. Dat werd - voor het gemak -Mariama. Die kinderen zijn wezen, aids-wezen misschien, of gewoon wezen. Dat kwam zo. Mariama was een jaar of wat geleden in een ziekenhuis. Waarom ze daar was weet ik niet. Een uitgeteerde vader bracht zijn kind in dat ziekenhuis en stierf nog diezelfde dag, zonder iets gezegd te hebben.

Het kind was een jaar oud en woog 3.5 kilo. De moeder was eerder overleden. Niemand wist waar het kind vandaan kwam en of het nog andere familie had. Mariama werd vervolgens verliefd op het kind en nam het mee naar haar hotel.

In haar onschuld dacht ze dat ze het kind ook gewoon mee naar Duitsland kon nemen, maar daar had Bundeskanzler Merckel heel andere ideeën over. Aan de andere kant kon ze het kind ook niet ergens dumpen, dus ze huurde een huis en verzorgde het kind, hopend op een goede afloop. Dat was drie jaar geleden. Inmiddels heeft ze er dus negen. De oudste is vijftien, de jonste vier.

Mariama heeft een oude T V en een enkele video-band. De kinderen keken het afgelopen jaar dus elke dag naar dezelfde aflevering van Pipi Langkous, in het Duits. Mariama komt - geloof ik - uit Frankfurt. Ik heb de Lion King en Winnie de Poeh meegenomen uit Nederland en nu kijken ze elke dag de Lion King en Winnie de Poeh in het Engels en Pipi Langkous in het Duits. En Heidi. Ze spreken Fipa, Kiswahili, Duits en Engels. Ze bidden allemaal 10 keer onder het eten en zingen na het eten religieuze liedjes. Waar dat precies vandaan komt is mij niet helemaal duidelijk want Mariama is niet religieus. Het schijnt aangeboren te zijn. Het zijn stuk voor stuk schatjes.

Terug naar zondag om 7.00 uur.

Ja, ja…eh…Endschuldige dass ich so fruh anrufe…enz.

Mariama zou met Steveni, 9 jaar oud, een van de weeskinderen, naar diens dorp gaan, 30 km. verderop, samen met ene meneer Kisi. Deze meneer Kisi was er namelijk - min of meer bij toeval - achter gekomen dat genoemde Steveni bij Mariama in huis zat. En deze meneer Kisi wist ook dat er in dat dorp nog familie van Steveni woonde. Hij kwam namelijk zelf uit dit dorp, meneer Kisi. Het idee was dus om met Steveni op zoek te gaan naar diens roots. Er ging ook nog een ander weeskind mee, Maurice, als een soort mentale ondersteuning. Op de een of andere manier had meneer Kisi de indruk dat deze hele expeditie kon worden uitgevoerd met behulp van een motorfiets. Mariama vond van niet. Zestig kilometer met twee kinderen en twee volwassenen op een motorfiets over een zandweg vol kuilen en geulen: nee. En aangezien ik een van de weinige menselijke wezens in deze stad ben die vierwielig gemotoriseerd is dacht Mariama dat ik het wel een leuk uitstapje zou vinden. Om 7 uur 's ochtends. Op zondag. Met een kater.

Dus stonden mijn Prado en ik een uur later, in het gezelschap van voornoemde kater voor de deur van het Kinderhaus. Meneer Kisi en Mariana stapten in, samen met twee wat angstig kijkende jongetjes, in speciaal voor de gelegenheid lokaal genaaide blazertjes. Daarna reden wij welgemoed de hobbelige zandweg af naar het bewuste dorp.

Dit dorp bleek te bestaan uit ongeveer 200 of 300 verspreid staande bakstenen hutten met nogal slordige rieten daken, waar tussen van alles en nog wat aan gewassen werd verbouwd. Verder scharrelden er varkens, kippen en een onvoorstelbare hoeveelheid kinderen rond. De varkens liepen in hun blote kont, de kippen pronkten met hun veren en de kinderen waren gehuld in lorren die per vierkante decimeter meer gaten om het lijf hadden dan textiel. Het was een vrolijke boel.

Verder was er nog een hele grote kerk, een bakstenen doos met een golfplaten dak. Een eind verderop stond een soort toren. Het was onduidelijk of die er nu wel of niet bij hoorde. Bij die kerk. De kerk zat helemaal vol met dorpelingen. Driehonderd of meer. Wij naar binnen. Er werd gezongen, met de schelle en heldere stemmen die je alleen in Afrika hoort. Daarbij werd uitbundig met de achterstevens gezwaaid en in de handen geklapt, want een Afrikaan kan niet stil blijven staan of zitten als er muziek wordt gemaakt.

Na al deze uitbundigheid besteeg meneer Kisi het spreekgestoelte en hield, met een brok in zijn keel een rede in het Fipa. De jongetjes moesten op het podium komen, er werd geklapt en gejuicht. Ze keken een beetje verbluft naar de menigte. Vervolgens riep de priester op tot liefde en gemeenschapszin. Mozes in zijn rieten mandje werd er bij gehaald en toen was het afgelopen. Het was heel ontroerend.

Daarna reden we door het dorp naar het huis van de grootvader van Steveni, tussen de plotjes net geoogste maïs door, al toeterend voor onverstoorbare varkens en achterna gerend en bejoeld door een grote schare haveloze kinderen. Eenmaal aangekomen werden we op klapstoeltjes voor een hut geparkeerd en aangegaapt door 100 kinderen en 20 volwassenen. Er werd gespeecht, we kregen cola en enig pluimvee kado en Steveni bleek een zusje te hebben.

Nu was het merkwaardige van het verhaal dat deze Steveni dus ooit in dat dorp was aangetroffen, gehuld in een zak, verwaarloosd en ondervoed. De beide ouders waren overleden, ongetwijfeld aan AIDS. Hij moet tussen 1.5 en 2 jaar oud geweest zijn. De vinders hadden Steveni naar het weeshuis van Sumbawanga gebracht, denkende dat het kind stervende was en niemand had zich verder met hem bemoeid, tot Mariama hem in huis had genomen. Hij was echter al die tijd blijven beweren dat hij een broer had, die Jamesi heette en een zus, Agnesi. Maar in het weeshuis was men al snel vergeten waar hij vandaan kwam en hij wist het - klein als hij was - zelf ook niet. Tot meneer Kisi hem terugvond in Mariama's Kinderhaus.

Hoe dan ook, er werd - opnieuw - heel mooi en veelstemmig gezongen en in de handen geklapt en met veel overgave gedanst en Steveni werd binnengehaald als de verloren zoon. Meneer Kisi toverde het ene familieled na het andere uit de hoge hoed en allemaal hadden ze een hele grote neus, net als Steveni, dus aan de verwantschap bestond geen enkele twijfel. Mariama werd uiteraard uitbundig omhelsd door Jan en Alleman en ik ook - al had ik er natuurlijk weinig mee van doen. Steveni liet het allemaal een beetje langs zijn nieuwe blazer afglijden en zijn maatje Maurice begon zich een beetje verloren te voelen. Steveni had immers inmiddels zomaar ineens tientallen familie-leden en Maurice was - relatief - nog steeds alleen op de wereld en dus enigszins minbedeeld. Hij besloot daarom om mij maar in de arm te nemen als surrogaat vader en kroop dus op schoot of hield mijn hand vast en ook dat was wel weer heel ontroerend.

Toen de cola op was gingen we op zoek naar het graf van de ouders. Als je zoiets doet moet je niet kinderachtig zijn, moet meneer Kisi gedacht hebben. We hobbelden en masse door het zanderige dorp heen, kringelend tussen de hutten, de plotjes met suikerriet en de tuintjes met aardappels door, struikelend over de zooi. Uiteindelijk kwamen we aan de rand van het dorp, waar op een overwoekerde vlakte allerlei kleine, simpele kruisjes stonden. We bleven uiteindelijk staan bij een willekeurig kruisje.

Dit, kondigde meneer Kisi aan, is het graf van Steveni's moeder.

Er groeide een doornig struikje op het graf. We sloegen devoot de ogen neer en meneer Kisi, die ooit voor priester had gestudeerd, ging ons voor in gebed. In de verte koesterden de hoge, kalende heuvels van de West-Tanzaniaanse hoogvlakte zich in de waterige ochtendzon. Het was behoorlijk fris, voor Afrika. We keken naar het doornenstruikje en probeerden ons de tragedie voor de geest te halen van de ouders van Steveni, die veel te jong waren weggeteerd door de voor hen onbegrijpelij-ke en wrede vloek van The Western Disease. Enkele dorpelingen gingen op zoek naar het graf van de vader. We gingen er maar eens bij zitten, tussen het opgeschoten gras en de doornenstruikjes. Het was een heldere dag. In de verte kronkelde de zandweg van Mbeya naar Sumbawanga zich door de majestueuze heuvels. Er was geen verkeer. Binnenkort zullen Nederlanders de weg asfalteren. De Amerikanen betalen de rekening. Misschien zal het dorp wakker worden en met een grote sprong in de 21ste eeuw belanden. Waarschijnlijker is dat er niets verandert. Alleen zullen de werkers aan de weg - die geld zullen hebben en zich alleen zullen voelen - voor nog veel meer houten kruisjes zorgen op het door doornen overwoekerde begraafplaatsje.

De zoekende dorpelingen melden uiteindelijk dat ze het graf niet konden vinden. Het kan elk van deze kruisjes zijn, zeggen ze. We weten het gewoon niet.

We lopen maar weer terug. Meneer Kisi blijft bij een bouwvallige hut staan en zegt plechtstatig: in deze hut is de moeder van Steveni overleden. En, zegt hij, wijzend op een schuchtere vrouw met een kind op de arm, dit is de vrouw die haar verzorgde.

Ze was een vrouw die altijd glimlachte, zegt de vrouw die Steveni's moeder verzorgde. Ze heeft nooit geklaagd, hoeveel ze ook heeft geleden. Ze was een dappere vrouw.

Het gaat allemaal een beetje langs Steveni heen. Verlegen lachend poseert hij in de deuropening van het wrakkige huisje voor een foto. Voor later. Voor als hij nog eens wil nadenken over zijn roots.

We gaan naar de volgende hut. We krijgen nog meer cola en pluimvee kado. Een kip schijt mijn broek onder. We hebben inmiddels een hok vol van die beesten. Ze liggen wat beteutert en ongemakkelijk op onze schoten, de poten bij elkaar gebonden, voor het geval ze er vandoor willen gaan. Vrouwen halen uit de knoop in hun batik omslagdoek muntjes voor Steven, die ze verlegen doorgeeft aan zijn stiefmoeder. Het dansen, zingen, klappen en omhelzen gaat onvermoeid verder.

Dan, uiteindelijk verschijnt Jamesi, de langverwachte grote broer. En er gebeurt een wonder. Ze hebben elkaar niet gezien sinds Steveni een jaar oud was, maar ze zijn op slag verliefd. Steveni, het schuchtere en afstandelijke jongetje, kruipt dicht tegen zijn veel oudere broer aan, hij kijkt hem aan met een blik vol adoratie, streelt voorzichtig zijn arm, zijn haar. De broer omarmt hem liefdevol en ze voeren minutenlang een bijna gefluisterde conversatie, midden tussen de herriemakende, zingende en opdringerige menigte, die voor hen niet lijkt te bestaan. Vanaf dat moment is Steveni een heel gelukkige jongen.

Er volgt een emotioneel afscheid, gelardeerd met beloften terug te keren, etc. In de kerk wordt nog wat gezocht naar het doopbewijs van Steveni, want hij doet volgende week H. Communie, maar hij blijkt niet gedoopt te zijn. Hij krijgt de verzekering dat de H. Moeder-kerk daar wel een mouw aan zal passen en dan rijden we met z'n allen de heuvel op, naar het seminarie van de paters.

De paters hebben het op de een of andere manier veel ruimer dan de dorpelingen. Ze struinen zwierig rond in zwarte soutanes, gedienstig personeel brengt overdadig voedsel en wij komen in gecapitonneerde leunstoelen bij van de emotie. Ik bespreek met een van de paters hoe het toch komt dat er nog steeds geen behoorlijk drinkwater is in het dorp.

Ach, elke vier jaar komen de politici bronnen beloven, maar ze komen er nooit. Toch blijven de mensen wachten.

Maar ze kunnen toch zelf wel iets doen? Twee handpompen is genoeg. Nu betalen ze zich blauw aan ontwormingsmiddelen en anti-biotica.

Zelf doen?

Ja, graven en dan hudje bij mudje leggen voor een pomp.

Nee, zo werkt het niet.

Waarom niet?

De pomp gaat kapot en niemand die hem maakt. Er zijn waterleidingen van hieruit naar beneden. Beneden waren een poosje kranen. In een soort waterhuisjes. Maar die kranen waren na twee weken verdwenen. Al ons water liep weg. Toen hebben we de kraan dichtgedraaid. Vervolgens zijn de huisjes gesloopt. Er is geen sense of ownership.

De priester praat over zijn congregatie alsof het een stel primitieve wilden betreft. Ik vraag me af waar het geld vandaan komt voor zijn bizarre paleis op de heuvel. Uit de collectezak van de kerk "beneden"?

We rijden terug naar Sumbawanga. Agnesi gaat mee logeren bij Mariama. Ze is 16 en heeft nog nooit in een auto gezeten. Gekker nog, ze is nooit het dorp uit geweest. Ach, zegt meneer Kisi, ik denk dat het grootste deel van de dorpelingen nog nooit in Sumbawanga is geweest. En al zeker niet verder.

Hoewel er 100.000 mensen wonen, is Sumbawange ongeveer even metropolitisch als Odijk of Bennekom. Sorry, Bennekom, ik bedoel Appelscha. Zoveel verschil met het middeleeuwse dorp van Agnesi is er dus ook niet.

Dan valt iedereen in slaap, van pure commotie. Tot meneer Kisi aan toe. Ik stuur de Prado om de gaten in de weg heen en we bereiken, wonder boven wonder, veilig onze thuishaven. Steveni heeft een familie en een grote broer (en zus). En wij zijn ontroerd en vertederd. Waar vindt je zoiets nog.

SAFE SAFE

Uiteindelijk heb ik dan maar besloten om de toestemming van al die commissies maar niet af te wachten en maar gewoon aan de slag te gaan. Wie kan mij wat maken? Ik ben geregistreerd arts in Tanzania.

Maar er zijn nog wel wat hordes te nemen. Ten eerste moet ik de medische apparatuur, die inmid-dels is ingevlogen uit Holland en China, inklaren op het vliegveld. Belastingvrij. Na enig gedoe vindt ik een agent, die deze klus voor mij gaat (in)klaren.

Het cargo station van Julius Nyerere Airport is maar klein. Een grote hangar waarin stellingen met kratten en pakketten, wat kantoortjes voor de douane en een krakkemikkige kantine. Er scharrelt een zeer grote hoeveelheid mannen rond, allemaal met een pass aan een lint om hun nek. Zij hebben er kennelijk iets te zoeken, al is niet onmiddellijk evident wat precies. Zo zal het overal wel gaan.

De meeste mannen lopen driftig rond met stapels papieren in hun hand. Een van die mannen is Rogers, mijn agent. Zijn kantoor bestaat uit een gammel tafeltje op het terras van de kantine.

Hmm, zegt hij. Als je dit spul belastingvrij wilt invoeren, dan gaat dat een hoop rompslomp geven.

Hij legt mij de procedure uit. Het komt er op neer dat er een groot aantal ambtenaren - in een dito aantal ver uit elkaar liggende kantoren - een stempel moeten zetten op mijn certificates of donation. Verder moet ik geregistreerd staan als belasting-betaler.

Maar mijn papieren zijn al geratificeerd door de Tanzaniaanse consul in Nederland, zeg ik, en wijs op de prachtige stempels met het landswapen en de indrukwekkende handtekeningen. En de invoer is belastingvrij.

Ah…ja, zegt mijn agent. Maar dat is Nederland. Dit is Tanzania.

Ik begrijp dat het niet anders is. De mensheid kan niet worden gered zonder zweet en tranen. Ik ga bedremmeld op pad.

Een week lang ben ik bezig met een Dar-es-Salaam wijd charme offensief ten toon te spreiden ten burele van diverse ambtenaren. In ruil daarvoor is Iedereen uiterst hulpvaardig. Uren sta ik in files, dagen wacht ik voor gesloten loketten. Uiteindelijk lukt het me alle stempels, goedkeuringen en nummers te verzamelen. Uitgeput zoek ik Rogers op in de kantine op het vliegveld.

Well done, zegt Rogers. Laat het verder maar aan mij over. Het kan een paar dagen duren.

Vergeet het maar. Dagelijks belt Rogers mij op om de stand van zaken uit te leggen. Er zijn veel - niet nader genoemde - beren op de weg.. Ik wacht af en studeer Kiswahili. Ik drink een biertje aan het strand. Ik probeer een filosofische gedachte te bedenken. Ik overweeg om buschauffeur te worden op de lijn Utrecht-Driebergen. Of suppoost in het stadsmuseum van Meppel.

Maar, dan, op een dag meldt Rogers plotseling dat de douane de spullen gaat controleren. Daar moet ik bij aanwezig zijn, zegt hij. Om uitleg te geven. Halleluja. Een doorbraak. Ik haast mij naar het vliegveld. Ik wacht twee dagen lang in de openluchtkantine van het cargo-station. De eigenaar, die medelijden met mij heeft, schotelt mij de ene verrukkelijke stoofschotel na de andere voor. Ik geef hem fooi, die ik dan weer terug krijg in de vorm van gratis cola. Tussen de klanten door leert hij mij Swahili. Ik krijg zelfs een eigen tafeltje toegewezen. Dit is je kantoor, zegt de eigenaar trots. Ik leer eindeloos rijtjes woorden Kiswahili uit mijn hoofd, om ze onmiddellijk weer te vergeten. Ik wacht.

Honderd meter verder, achter een roestig hek van kippegaas, landen en vertrekken de Boeings van KLM en Emirates met bulderend geweld. Het waait. Soms ook niet. Zo nu en dan regent het. Dan weer drijven witte wolken gracieus voorbij door de Afrikaanse lucht. Ik wacht. Soms komt Rogers kijken. Geduld, zegt hij, geduld. Ik wacht.

Dan, uiteindelijk, op een middag, wordt de grote krat opengebroken. Een douanier plukt er een monitor uit. Wat is dat voor een ding? Ik leg het hem uit. Hij wijst op een doos. Een sterilisatie-machine. Hmm, zegt hij. Maak maar weer dicht. De kist wordt weer dichtgespijkerd.

Klaar? vraag ik aan Rogers.

Nee, er moet nog een mevrouw van het ministerie komen kijken.

Ik wacht de rest van de middag, maar geen mevrouw.

De volgende ochtend is ze er wel. Ze trekt wat aan de dozen verbandmateriaal, die we er in hebben gestopt als opvulmateriaal. Er vallen een paar ouden-van-dagen-incontinentieluiers uit de kist. Wat is dit? Stuffing, zeg ik. Tegen het stoten. Ze kijkt misprijzend naar de monitors.

Hmm, zegt ze. Maak maar weer dicht.

Klaar?

Nee. Er blijken nieuwe problemen te zijn gerezen. Er zijn twee zendingen. Op de ene airway bill staat "Att. of Dr. R. P., Sumbawanga Hospital", op de andere "Sumbawanga Hospital, att. of dr. R. P."

Wat is het probleem?

Nou legt Rogers uit, de ene zending kan op jouw naam worden ingevoerd, de andere op de naam van het ziekenhuis. Hij neemt mij mee naar de betreffende ambtenaar. Het is de tax-man.

Luister, zeg ik tegen de tax-man. Dat maakt toch niet uit, wie er bovenaan staat?

Jawel, zegt de tax-man. Het gaat erom wie de hoofd-ontvanger is. In het ene geval kan het op jouw tax-number , in het andere geval moet het op dat van het ziekenhuis. Want op een van de airway bills staat het ziekenhuis als eerste vermeld. Wat is het tax-number van het ziekenhuis?

Geen idee, zeg ik. Maar het is allemaal belastingvrij. Wat heeft het tax-number er mee te maken?

Dat is ook nodig als er geen tax wordt betaald.

Maar mijn naam staat toch op allebei de zendingen?

Ja, maar in de verkeerde volgorde.

Dat komt door de Chinezen, probeer ik. Die lezen alles van onder naar boven, snap je? Het is een vergissing.

Nee, nee, vertel mij niets over de Chinezen, de helft van wat hier aankomt komt uit China. Ik moet een tax-number van het ziekenhuis hebben.

Kun je dat niet nakijken?

Daar zijn wij niet voor.

Ik bel het ziekenhuis. Zij SMS'en mij een tax-number.

Hier is het tax-number. Hij tikt het in op zijn computer.

Het klopt niet.

En dat kon u niet nakijken.

Wij zijn er om het te controleren. Niet om er achteraan te gaan.

Ik bel het ziekenhuis.

Nee, dat klopt dat het niet klopt. Het ziekenhuis heeft geen tax-nummer. Wij hebben het tax-nummer van het districtsbestuur opgegeven.

Weer een dag verloren. Rogers ploetert verder. Het is nu bijna klaar, meldt hij. Ik wacht af.

Twee keer leen ik een pick up truck om de spullen - uiteindelijk - op te halen, twee keer gooit de een of andere ambtenaar toch weer roet in het eten. Aan het einde van de tweede dag mag ik het spul uiteindelijk meenemen. Er is kennelijk iets geritseld. Ik laad ik een krat in. Als hij op de pick-up ligt, rolt langzaam het luik van de hangar naar beneden. De andere krat staat, per ongeluk, nog binnen. Ik mag de volgende dag terugkomen voor de rest.

Rogers is een broer van de man van de neef van een nicht van een van mijn gastvrouwen, en dus is hij te vertrouwen. Zijn rekening liegt er desondanks bepaald niet om. Maar wie ben ik om erover te zeuren?

Niet dat daarmee mijn problemen over zijn. Ik heb inmiddels een auto gekocht. Een neef van van een nicht van een tante van een oom had een Toyota Landcruiser te koop. Alle reddertjes in Afrika rijden in zo'n ding. Ik moet er dus ook een. Ze zijn niet goedkoop.

Ik maak een fors bedrag over via het internet. We wachten. De dagen verstrijken. We wachten langer. De verkoper wordt ongeduldig. Dagelijks trek ik overal ATM-machines leeg om miljoenen shillings aan voorschotten te betalen. Na een week is het geld er nog niet. Ik kan niet op weg zonder de autopapieren.

Ik bel de ABN. Die zegt dat ze niet kunnen nagaan waar het geld is. Ze sturen het naar Afrika en dan zoekt de opdrachtgever - ik dus - het verder maar uit. Zo werkt het. Ik wordt boos.

Hoe kan ik er zeker van zijn dat Mobutu en zijn kronies niet bezig zijn er een feestje van te bouwen?

Mobutu is al lang geen president van de Kongo meer.

Maar waar is het geld dan?

Geen idee. Als u het over een paar weken nog niet heeft, dan kunt u een klacht indienen.

Uiteindelijk blijkt het geld, geheel uit eigen beweging zijn tenten te hebben opgeslagen bij een andere, willekeurige bank in Dar es Salaam.

Ik ga naar het hoofdkantoor van die bank. Ik haal - toch wel enigszins op hoge poten - verhaal. Wat doen zij met mijn geld, potjandorie. Fout. Men gooit de kont tegen de krib.

Maar suffie, zo werkt het toch niet in Afrika, zeggen mijn gastvrouwen. Zij leggen mij de juiste procedure uit. Ik ga opnieuw op pad.

Ik stel mij ditmaal uitgebreid voor, informeer naar het welzijn van de lokettist zelf, naar dat van zijn familie, incl. de debiele neef en de suikerzieke grootmoeder en hang een verhaal op over hoe de Stichting Tandoe het gemiddelde welzijn van alle Tanzanianen beduidend gaat opkrikken. Vervolgens laat ik, terloops, de naam vallen van mijn gastvrouwen.

Dat werkt veel en veel beter. Ik wordt meegetroond naar de burelen van een belangrijke manager en binnen een paar minuten heeft men mijn geld niet alleen gevonden, maar ook op weg gestuurd naar de juiste bank. Daarna gaan er - toch nog - 4 dagen overheen.

Inmiddels blijkt de auto minstens een jaar ouder dan aangegeven. Er volgen opnieuw uitgebreide onderhandelingen en er wordt een korting afgesproken. Dan wordt de auto uiteindelijk betaald. Ik laad al de medische apparatuur en mijn bagage in de auto en kondig plechtig aan mijn gastvrouwen aan dat ik er vandoor ga.

Alleen?

Ja, waarom niet?

Alleen? Helemaal naar Sumbawanga?

Ja, hoezo dan?

Een mzungu, alleen in een Prado. Dat gaat niet lukken.

Waarom niet?

Nou ja, als het nou een Landrover was geweest, maar een Prado. Dat ga je niet redden. Iemand ziet je langskomen, hij belt een vriendje, ze organiseren een roadblock en weg Prado.

Op de weg van Dar naar Mbeya? Kom nou, dat is een drukke weg.

Ze hebben maar 5 minuten nodig. Luister, er komt niets van in.

Er volgt uitgebreid familieberaad, in het Kiswahili. Ik heb duidelijk geen enkele zeggenschap in deze kwestie. Er moet begeleiding komen.

Hoe moet dat in vredesnaam, roep ik. Die man moet twee dagen meerijden en hoe moet hij dan terug?

Met de bus.

Maar die bussen zijn levensgevaarlijk. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben.

Niet zo gevaarlijk als een eenzame mzungu in een Prado.

De taxichauffeur van de familie wordt opgeroepen. Hij komt, maar zijn rijbewijs is verlopen.

Geen nood, roep ik. Het gaat heus wel lukken.

Maar plan B is al in stelling gebracht. Er meldt zich een andere chauffeur. Het is inmiddels 11 uur 's avonds. Maar ik heb nog een troef.

Er kan niemand meer bij, stamel ik. Mijn bagage moet op de bijrijdersstoel. Hij kan er niet meer in.

Er komt niets van in. De bagage kan op het dak. De chauffeur weet precies hoe het moet.

Er wordt onderhandeld over de prijs. Kennelijk heeft de familie iets tegoed van de chauffeur, want de man wordt in tweeën gezaagd op de onderhandelingstafel. Ik moet erbij komen om hem te redden.

Er wordt een bedrag afgesproken dat overeenkomt met de prijs van een taxi naar Schiphol. Plus onkosten: drie nachten hotel en de bustickets terug.

Ik had er mij heel erg op verheugd alleen te reizen. Maar een weigering zou mijn goede naam in dit land voor altijd teniet doen. Zelfs de VN zou er schande van spreken.

De goede man meldt zich de volgende dag. Hoe lang denkt hij er over te doen. Dar-Mbeya, de eerste etappe is 900 km. Hij denkt ongeveer 8 uur. Ik krijg bange voorgevoelens. Maar ik zit totaal klem. Er wordt gezoend en er worden handen geschud en we gaan op pad. De chauffeur rijdt. Het is een prachtige dag.

Ik was buschauffeur, verklaart de man trots. O ja, zeg ik aarzelend. Ik weet niet of ik dit een aanbeveling vind. De vorige buschauffeur die ik kende in Tanzania, maakte op een haar na een eind aan mijn leven. Helaas spreek ik onvoldoende Kiswahili om het hem uit te leggen.

Het eerste stuk van de reis voert door het licht heuvelachtige Dar. Dar is heel groot. De prima tweebaansweg wordt omzoomd door veel groene bomen en door de tientallen kilometers lange aaneenschakeling van zanderige, krakkemikkige winkeltjes, barretjes, meubelmakerijtjes, hekkenlassers, fietsenmakers, etc. etc. In veel andere landen, Pakistan, India, Egypte, Indonesie, wordt je droevig van dit soort kwakkelende middenstand. In die landen zitten de handelaren bedroefd en tekortgedaan in hun betonnen blokkendoosjes, als prinsjes die per ongeluk zijn gereïncarneerd tussen de Tokkies. Mokkend geven ze de schuld aan het noodlot, aan Amerika, aan het kapitalisme, aan het weer of aan alles tegelijk. Zoniet in Afrika. Kijk ons eens, zeggen de Afrikanen, wat wij van de gevonden voorwerpen in elkaar hebben geknutseld. OK, het kan misschien wat gelikter of sjieker, maar schiet je daar nou echt iets mee op? Zo is het toch prima. Meer heb je niet nodig. Misschien ligt het aan de kleuren: aan de uithangborden, of de Afrikaanse katoentjes van de vrouwen, of gewoon, aan de stralende glimlachen die je worden toegeworpen als je "Mambo" roept uit het raam. Zo op je gemak worden rondgereden tussen al deze rommel door, op een zonnige dag in Afrika, daar wordt je gewoon gelukkig van.

Jammer is dat er tussen al die middenstanders plotseling een agent met een laser staat. Ook een vorm van middenstandersschap, in Tanzania. Een politievrouw spreekt ons vermanend toe. 64 km per uur, zegt zij, wijzend naar het onweerlegbaar digitaal bewijs. Er steken hier kinderen over! En inderdaad steken er drie kleine meisjes over, in schooluniform. Er is nergens een school te bekennen en ik krijg de indruk dat deze meisjes worden betaald om zo nu en dan hollend over te steken en zo de impact van de preek kracht bij te zetten.

Politievrouwen zijn hier overigens het bekijken waard. Zoals in veel Engelse ex-kolonien hebben de dames hun koloniale uniform behouden. Zwarte platte schoenen, zwarte kniekousen, een blauwe halflange rok, met riem, een witte blouse met epauletten en een Britse politiepet. Het geheel wordt gecompleteerd door een soort stokje met twee koperen doppen op de uiteinden. Het stokje heeft geen enkel nut, maar wordt met verve onder de arm geklemd, waar het de hele dag bezig is met het uitstralen van gezag. Het Afrikaanse aspect aan het geheel wordt gevormd door de obligatoire kolossale achtersteven. Omdat deze de rok aan de achterzijde wat omhoog houdt, loopt deze altijd schuin naar voren af. Een ding is duidelijk: een Afrikaanse politievrouw laat niet met zich spotten. Wij tonen oprecht berouw en betalen 20.000 shilling.

Na een paar honderd kilometer verkeersdrempels rijden wij door 100 km. natuurgebied. Daar zijn nog meer drempels, ditmaal niet voor schoolkinderen, maar voor het overstekend wild. Wij zien een olifant, vijf zebra's die gezellig een familie gnoes op de thee hebben en veel apen met blauwe konten en rode pikken. Een ervan zit zich midden op de weg af te sjorren. Toeteren helpt niet.

Mijn chauffeur heeft het een beetje op zijn zenuwen gekregen van die kordate politievrouw en houdt zich strikt aan de forse snelheidslimites. Dat is lovenswaardig, maar zo schiet het allemaal niet echt op. Dan trekken we de bergen in. Het grootste deel van Tanzania bestaat uit hoogland met forse, groene heuvels, doorsneden door de gorges van kleine rivieren. Mooi en indrukwekkend. Maar als we voor de zoveelste keer een half uur bij een wegversperring hebben gestaan, realiseert mijn chauffeur zich om een uur of vier plotseling dat het wel eens nachtwerk zou kunnen worden en dit maakt, helaas, de Michael Schumacher in hem wakker. Drempels, borden en beperkingen bestaan ineens niet meer, het gas gaat op de plank en hij realiseert met enige regelmaat 150 km per uur. Nu is de tweebaans-weg op zich niet slecht, want de potholes worden kennelijk zo nu en dan opgevuld, maar ze ontstaan helaas sneller dan ze gevuld kunnen worden. Nu vlieg je er met 150 praktisch overheen, dus dat geeft niet zo erg. Vervelender zijn de fietsers, die het moeten doen met een strookje van 50 asfalt-garnering aan de zijkanten van de weg. Dat strookje hebben ze zelf op de auto's veroverd, vinden ze. Er is overigens geen sprake van een duidelijke afscheiding. Dat zou allemaal nog wel redelijk goed kunnen gaan, maar een Tanzaniaanse baiskeli fungeert hier tevens als vrachtwagen. Giga zakken houtskool, manden vol met kippen, bossen brandhout, veertien lege cola-kratten (veertien, met de lege flesjes erin!) worden allemaal achterop gebonden en slingeren vrolijk over het 50 cm brede strookje, uitwijkend (de weg op!) voor schoolkinderen, verliefde stellen, weggelopen koeien, etc. Als het licht uit gaat - elke avond gaat om 18.30 uur het licht uit in Afrika - brengt mijn chauffeur de gemiddelde snelheid weliswaar terug naar 120 km maar ik sta nog steeds doodsangsten uit. Maar zelf rijden in het donker doe beslist ik niet. Mijn chauffeur haalt Mbeya zonder kleerscheuren.

De volgende dag heeft mijn chauffeur er echt zin in, meldt hij. Dat belooft weinig goeds.

Misschien is de weg naar Sumbawanga wel net geschraapt, zeiden mijn gastvrouwen bij mijn afscheid. De eerste minister heeft het gebied bezocht, dan schrapen ze de weg nogal eens voor hem.

Dat zou dan betekenen dat ze 500 kilometer weg voor hem hebben geschraapt. Zoveel houden ze niet van de eerste minister in Rukwa regio. De zandweg is dus een complete ramp, zeker aan het einde van het regenseizoen.

Mijn chauffeur denkt daar heel anders over. Zodra we het asfalt achter ons hebben gelaten, barst hij los in een ode aan de onvervalste Afrikaanse dirt road. Hij beveelt uitbundig zijn talenten als chauf-feur aan, vervolgens prijst hij de Prado de hemel in en verklaart hij dat er geen enkel probleem Is. Hakuna matata, roept hij triomfantelijk, hakuna matata! Hij gaat mij safe safe naar Sumbawanga brengen. Dat hij de kwaliteiten van mijn Prado prijst waardeer ik, want het is inderdaad de beste terreinwagen die er op vier wielen rondrijdt. Anderzijds ben ik echter heel bang dat hij mij op deze zandweg vol keien, gaten, kuilen en geulen gaat demonstreren hoe je - als top chauffeur - het maxi-mum kunt halen uit dit onvolprezen materiaal. En die angst is niet onterecht. Het gas gaat op de plank, de snelheidsmeter schiet omhoog, de auto springt als een rodeostier op en neer en heen en weer en mijn chauffeur glimt van trots en genoegen.

Ik zie groen en geel van ellende, maar daar heeft hij geen oog voor. Hij is beslist van plan een gemid-delde van 100 km/uur te realiseren op dit bizarre stuk woestenij, waarop de benaming weg eigenlijk niet eens van toepassing is.

Pole, pole, (kalm aan) roep ik telkens benauwd, als hij weer een pothole inschiet en het slingerende gevaarte de wildste bokkesprongen maakt. Hij rijdt dan een minuut iets minder hard, maar daarna gaat de beuk er weer in. Safe safe, roept hij, dereva nzuri (goede chauffeur) met in zijn ene hand het stuur en in de andere zijn telefoon. Mama belt, verklaart hij verontschuldigend, terwijl hij aan het stuur rukt om het met 100 km per uur voort suizende, 3.000 kg zware projectiel op de weg te houden.

Elke keer remt hij even af om mij te plezieren, maar dan wordt de snelheidsduivel weer vaardig over hem en verandert de reis weer in zijn privé versie van Parijs-Dakar. Hij heeft de grootste lol.

Ik wil ook een stukje rijden, jammer ik in doodangst.

Hapana, hapana, huwezi, lacht mijn chauffeur. Nee, nee, dat kan ik niet. Ik beloof de madam- zo noemt hij mijn gastvrouw - ik breng jou Sumbawanga safe safe.

Een bijkomend probleem is dat er links en rechts van de zandweg fietsers op zwaarbeladen baiskeli balanceren en er overal drommen kleine, geüniformeerde schoolkinderen lopen. Een schuiver en hij heeft er een paar te pakken. Dat is niet alleen lullig voor die kinderen, maar ook voor ons, want normaal gesproken eindigt zoiets in een lynchpartij.

Nu moet ik hem toegeven dat hij wel kan rijden. Beter dan ik. Maar hij zal mij ook moeten toegeven dat er in Tanzania veel meer verkeersdoden vallen dan in Nederland, terwijl Tanzania 15 maal min-der auto's heeft. Jammer genoeg faalt ook hier mijn taalkennis.

Een paar droevige weetjes over Afrikaans verkeer. In de Centraal Afrikaanse Repubiek valt jaarlijks op elke 25 geregistreerde auto's een dode. In Ethiopie op elke 50 auto's een, In Tanzania op elke 100 auto's een. Ter vergelijking: in Nederland op elke 4.000 een. Het risico om met een auto jezelf of iemand anders om zeep te helpen is dus 40x hoger in Tanzania dan in Nederland. Eveneens ter vergelijking: Tanzania heeft 400.000 auto's, Nederland 7 miljoen. Tanzania is ook nog eens 30 maal groter dan Nederland. Je zou verwachten dat het moeilijker is om tegen elkaar op te knallen. Niet dus.

Van elke 100 doden zijn er 10 chauffeur, 40 passagier en 40 voetganger. Tanzania staat er heel slecht op, zelfs in Afrika. Het neemt plaats 3 of 4 in van de 37 landen. Er zijn de laatste jaren op de asfalt-wegen heel veel hoge drempels aangelegd in de dorpen. Er wordt op snelheid gecontroleerd. Maar de cijfers verbeteren nauwelijks. De bussen en de mini-bussen, statistisch de grootste moordenaars, verkeren nog steeds in dezelfde abominabele staat: controles op veiligheid (banden!), snelheid, aantallen passagiers zijn theorie wel aanwezig, maar worden met smeergeld (of bordeelbezoek) afgekocht. Dit laatste werd mij persoonlijk verteld door een manager van een buscompany. De grote lijnbussen veroorzaken alleen al 300-400 doden per jaar. De minimusjes een veelvoud daarvan. Deze cijfers zijn van 1996. Recente statistieken zijn op het internet niet te krijgen. Een aantal internet-gebruikers vraagt zich af waarom niet. Ik ook.

Het grootste probleem is echter het volgende. In Afrika kan alles morgen, eventueel overmorgen of eventueel zelfs helemaal niet. Zodra er echter vier wielen en een gaspedaal aan te pas komen, telt plotseling elke seconde. De echte macho treuzelt met alles, behalve met neuken en autorijden.

De buschauffeur heeft gemiddeld 100 toeschouwers: hij moet en zal al die mensen laten zien dat hij geen watje is. Al wordt het zijn dood en die van zijn passagiers.

Mijn chauffeur wil mij ook laten zien dat hij geen watje is. Hij wil mij laten zien dat hij heel hard kan rijden en toch safe safe is. Als ik hem uiteindelijk tien keer tot kalmte heb gemaand, wordt ik pissig als hij weer een keer de 100 haalt en zeg ik hem dat hij langzaam moet rijden anders rijd ik zelf. Dan wordt hij ook pissig en gaat uiterst demonstratief 30 km per uur rijden.

Vervolgens zeg ik hem 60 op de slechte stukken te rijden en 80 maximaal en daar houdt hij zich aan. We bereiken uiteindelijk Sumbawanga zonder kleerscheuren en in redelijke harmonie. Ik had zelf moeten rijden. Het risico van overvallers en hijackers weegt op geen enkele tegen de inherente waanzin van de gemotoriseerde Afrikaan. Maar ik leef nog en ik heb mijn bestemming bereikt. Halleluja.