zondag 12 september 2010

VERLOREN ZOON

Om 7.00 gaat de telefoon. Op Zondag. Om 7.00 uur. Wat nou weer?

Het is Mariama, de vrouw van het Kinderhaus. Ze heet eigenlijk Marianne, maar ze werd een tijdje Mama Marianne genoemd. Op zich niet verbazend, met negen kinderen. Dat werd - voor het gemak -Mariama. Die kinderen zijn wezen, aids-wezen misschien, of gewoon wezen. Dat kwam zo. Mariama was een jaar of wat geleden in een ziekenhuis. Waarom ze daar was weet ik niet. Een uitgeteerde vader bracht zijn kind in dat ziekenhuis en stierf nog diezelfde dag, zonder iets gezegd te hebben.

Het kind was een jaar oud en woog 3.5 kilo. De moeder was eerder overleden. Niemand wist waar het kind vandaan kwam en of het nog andere familie had. Mariama werd vervolgens verliefd op het kind en nam het mee naar haar hotel.

In haar onschuld dacht ze dat ze het kind ook gewoon mee naar Duitsland kon nemen, maar daar had Bundeskanzler Merckel heel andere ideeën over. Aan de andere kant kon ze het kind ook niet ergens dumpen, dus ze huurde een huis en verzorgde het kind, hopend op een goede afloop. Dat was drie jaar geleden. Inmiddels heeft ze er dus negen. De oudste is vijftien, de jonste vier.

Mariama heeft een oude T V en een enkele video-band. De kinderen keken het afgelopen jaar dus elke dag naar dezelfde aflevering van Pipi Langkous, in het Duits. Mariama komt - geloof ik - uit Frankfurt. Ik heb de Lion King en Winnie de Poeh meegenomen uit Nederland en nu kijken ze elke dag de Lion King en Winnie de Poeh in het Engels en Pipi Langkous in het Duits. En Heidi. Ze spreken Fipa, Kiswahili, Duits en Engels. Ze bidden allemaal 10 keer onder het eten en zingen na het eten religieuze liedjes. Waar dat precies vandaan komt is mij niet helemaal duidelijk want Mariama is niet religieus. Het schijnt aangeboren te zijn. Het zijn stuk voor stuk schatjes.

Terug naar zondag om 7.00 uur.

Ja, ja…eh…Endschuldige dass ich so fruh anrufe…enz.

Mariama zou met Steveni, 9 jaar oud, een van de weeskinderen, naar diens dorp gaan, 30 km. verderop, samen met ene meneer Kisi. Deze meneer Kisi was er namelijk - min of meer bij toeval - achter gekomen dat genoemde Steveni bij Mariama in huis zat. En deze meneer Kisi wist ook dat er in dat dorp nog familie van Steveni woonde. Hij kwam namelijk zelf uit dit dorp, meneer Kisi. Het idee was dus om met Steveni op zoek te gaan naar diens roots. Er ging ook nog een ander weeskind mee, Maurice, als een soort mentale ondersteuning. Op de een of andere manier had meneer Kisi de indruk dat deze hele expeditie kon worden uitgevoerd met behulp van een motorfiets. Mariama vond van niet. Zestig kilometer met twee kinderen en twee volwassenen op een motorfiets over een zandweg vol kuilen en geulen: nee. En aangezien ik een van de weinige menselijke wezens in deze stad ben die vierwielig gemotoriseerd is dacht Mariama dat ik het wel een leuk uitstapje zou vinden. Om 7 uur 's ochtends. Op zondag. Met een kater.

Dus stonden mijn Prado en ik een uur later, in het gezelschap van voornoemde kater voor de deur van het Kinderhaus. Meneer Kisi en Mariana stapten in, samen met twee wat angstig kijkende jongetjes, in speciaal voor de gelegenheid lokaal genaaide blazertjes. Daarna reden wij welgemoed de hobbelige zandweg af naar het bewuste dorp.

Dit dorp bleek te bestaan uit ongeveer 200 of 300 verspreid staande bakstenen hutten met nogal slordige rieten daken, waar tussen van alles en nog wat aan gewassen werd verbouwd. Verder scharrelden er varkens, kippen en een onvoorstelbare hoeveelheid kinderen rond. De varkens liepen in hun blote kont, de kippen pronkten met hun veren en de kinderen waren gehuld in lorren die per vierkante decimeter meer gaten om het lijf hadden dan textiel. Het was een vrolijke boel.

Verder was er nog een hele grote kerk, een bakstenen doos met een golfplaten dak. Een eind verderop stond een soort toren. Het was onduidelijk of die er nu wel of niet bij hoorde. Bij die kerk. De kerk zat helemaal vol met dorpelingen. Driehonderd of meer. Wij naar binnen. Er werd gezongen, met de schelle en heldere stemmen die je alleen in Afrika hoort. Daarbij werd uitbundig met de achterstevens gezwaaid en in de handen geklapt, want een Afrikaan kan niet stil blijven staan of zitten als er muziek wordt gemaakt.

Na al deze uitbundigheid besteeg meneer Kisi het spreekgestoelte en hield, met een brok in zijn keel een rede in het Fipa. De jongetjes moesten op het podium komen, er werd geklapt en gejuicht. Ze keken een beetje verbluft naar de menigte. Vervolgens riep de priester op tot liefde en gemeenschapszin. Mozes in zijn rieten mandje werd er bij gehaald en toen was het afgelopen. Het was heel ontroerend.

Daarna reden we door het dorp naar het huis van de grootvader van Steveni, tussen de plotjes net geoogste maïs door, al toeterend voor onverstoorbare varkens en achterna gerend en bejoeld door een grote schare haveloze kinderen. Eenmaal aangekomen werden we op klapstoeltjes voor een hut geparkeerd en aangegaapt door 100 kinderen en 20 volwassenen. Er werd gespeecht, we kregen cola en enig pluimvee kado en Steveni bleek een zusje te hebben.

Nu was het merkwaardige van het verhaal dat deze Steveni dus ooit in dat dorp was aangetroffen, gehuld in een zak, verwaarloosd en ondervoed. De beide ouders waren overleden, ongetwijfeld aan AIDS. Hij moet tussen 1.5 en 2 jaar oud geweest zijn. De vinders hadden Steveni naar het weeshuis van Sumbawanga gebracht, denkende dat het kind stervende was en niemand had zich verder met hem bemoeid, tot Mariama hem in huis had genomen. Hij was echter al die tijd blijven beweren dat hij een broer had, die Jamesi heette en een zus, Agnesi. Maar in het weeshuis was men al snel vergeten waar hij vandaan kwam en hij wist het - klein als hij was - zelf ook niet. Tot meneer Kisi hem terugvond in Mariama's Kinderhaus.

Hoe dan ook, er werd - opnieuw - heel mooi en veelstemmig gezongen en in de handen geklapt en met veel overgave gedanst en Steveni werd binnengehaald als de verloren zoon. Meneer Kisi toverde het ene familieled na het andere uit de hoge hoed en allemaal hadden ze een hele grote neus, net als Steveni, dus aan de verwantschap bestond geen enkele twijfel. Mariama werd uiteraard uitbundig omhelsd door Jan en Alleman en ik ook - al had ik er natuurlijk weinig mee van doen. Steveni liet het allemaal een beetje langs zijn nieuwe blazer afglijden en zijn maatje Maurice begon zich een beetje verloren te voelen. Steveni had immers inmiddels zomaar ineens tientallen familie-leden en Maurice was - relatief - nog steeds alleen op de wereld en dus enigszins minbedeeld. Hij besloot daarom om mij maar in de arm te nemen als surrogaat vader en kroop dus op schoot of hield mijn hand vast en ook dat was wel weer heel ontroerend.

Toen de cola op was gingen we op zoek naar het graf van de ouders. Als je zoiets doet moet je niet kinderachtig zijn, moet meneer Kisi gedacht hebben. We hobbelden en masse door het zanderige dorp heen, kringelend tussen de hutten, de plotjes met suikerriet en de tuintjes met aardappels door, struikelend over de zooi. Uiteindelijk kwamen we aan de rand van het dorp, waar op een overwoekerde vlakte allerlei kleine, simpele kruisjes stonden. We bleven uiteindelijk staan bij een willekeurig kruisje.

Dit, kondigde meneer Kisi aan, is het graf van Steveni's moeder.

Er groeide een doornig struikje op het graf. We sloegen devoot de ogen neer en meneer Kisi, die ooit voor priester had gestudeerd, ging ons voor in gebed. In de verte koesterden de hoge, kalende heuvels van de West-Tanzaniaanse hoogvlakte zich in de waterige ochtendzon. Het was behoorlijk fris, voor Afrika. We keken naar het doornenstruikje en probeerden ons de tragedie voor de geest te halen van de ouders van Steveni, die veel te jong waren weggeteerd door de voor hen onbegrijpelij-ke en wrede vloek van The Western Disease. Enkele dorpelingen gingen op zoek naar het graf van de vader. We gingen er maar eens bij zitten, tussen het opgeschoten gras en de doornenstruikjes. Het was een heldere dag. In de verte kronkelde de zandweg van Mbeya naar Sumbawanga zich door de majestueuze heuvels. Er was geen verkeer. Binnenkort zullen Nederlanders de weg asfalteren. De Amerikanen betalen de rekening. Misschien zal het dorp wakker worden en met een grote sprong in de 21ste eeuw belanden. Waarschijnlijker is dat er niets verandert. Alleen zullen de werkers aan de weg - die geld zullen hebben en zich alleen zullen voelen - voor nog veel meer houten kruisjes zorgen op het door doornen overwoekerde begraafplaatsje.

De zoekende dorpelingen melden uiteindelijk dat ze het graf niet konden vinden. Het kan elk van deze kruisjes zijn, zeggen ze. We weten het gewoon niet.

We lopen maar weer terug. Meneer Kisi blijft bij een bouwvallige hut staan en zegt plechtstatig: in deze hut is de moeder van Steveni overleden. En, zegt hij, wijzend op een schuchtere vrouw met een kind op de arm, dit is de vrouw die haar verzorgde.

Ze was een vrouw die altijd glimlachte, zegt de vrouw die Steveni's moeder verzorgde. Ze heeft nooit geklaagd, hoeveel ze ook heeft geleden. Ze was een dappere vrouw.

Het gaat allemaal een beetje langs Steveni heen. Verlegen lachend poseert hij in de deuropening van het wrakkige huisje voor een foto. Voor later. Voor als hij nog eens wil nadenken over zijn roots.

We gaan naar de volgende hut. We krijgen nog meer cola en pluimvee kado. Een kip schijt mijn broek onder. We hebben inmiddels een hok vol van die beesten. Ze liggen wat beteutert en ongemakkelijk op onze schoten, de poten bij elkaar gebonden, voor het geval ze er vandoor willen gaan. Vrouwen halen uit de knoop in hun batik omslagdoek muntjes voor Steven, die ze verlegen doorgeeft aan zijn stiefmoeder. Het dansen, zingen, klappen en omhelzen gaat onvermoeid verder.

Dan, uiteindelijk verschijnt Jamesi, de langverwachte grote broer. En er gebeurt een wonder. Ze hebben elkaar niet gezien sinds Steveni een jaar oud was, maar ze zijn op slag verliefd. Steveni, het schuchtere en afstandelijke jongetje, kruipt dicht tegen zijn veel oudere broer aan, hij kijkt hem aan met een blik vol adoratie, streelt voorzichtig zijn arm, zijn haar. De broer omarmt hem liefdevol en ze voeren minutenlang een bijna gefluisterde conversatie, midden tussen de herriemakende, zingende en opdringerige menigte, die voor hen niet lijkt te bestaan. Vanaf dat moment is Steveni een heel gelukkige jongen.

Er volgt een emotioneel afscheid, gelardeerd met beloften terug te keren, etc. In de kerk wordt nog wat gezocht naar het doopbewijs van Steveni, want hij doet volgende week H. Communie, maar hij blijkt niet gedoopt te zijn. Hij krijgt de verzekering dat de H. Moeder-kerk daar wel een mouw aan zal passen en dan rijden we met z'n allen de heuvel op, naar het seminarie van de paters.

De paters hebben het op de een of andere manier veel ruimer dan de dorpelingen. Ze struinen zwierig rond in zwarte soutanes, gedienstig personeel brengt overdadig voedsel en wij komen in gecapitonneerde leunstoelen bij van de emotie. Ik bespreek met een van de paters hoe het toch komt dat er nog steeds geen behoorlijk drinkwater is in het dorp.

Ach, elke vier jaar komen de politici bronnen beloven, maar ze komen er nooit. Toch blijven de mensen wachten.

Maar ze kunnen toch zelf wel iets doen? Twee handpompen is genoeg. Nu betalen ze zich blauw aan ontwormingsmiddelen en anti-biotica.

Zelf doen?

Ja, graven en dan hudje bij mudje leggen voor een pomp.

Nee, zo werkt het niet.

Waarom niet?

De pomp gaat kapot en niemand die hem maakt. Er zijn waterleidingen van hieruit naar beneden. Beneden waren een poosje kranen. In een soort waterhuisjes. Maar die kranen waren na twee weken verdwenen. Al ons water liep weg. Toen hebben we de kraan dichtgedraaid. Vervolgens zijn de huisjes gesloopt. Er is geen sense of ownership.

De priester praat over zijn congregatie alsof het een stel primitieve wilden betreft. Ik vraag me af waar het geld vandaan komt voor zijn bizarre paleis op de heuvel. Uit de collectezak van de kerk "beneden"?

We rijden terug naar Sumbawanga. Agnesi gaat mee logeren bij Mariama. Ze is 16 en heeft nog nooit in een auto gezeten. Gekker nog, ze is nooit het dorp uit geweest. Ach, zegt meneer Kisi, ik denk dat het grootste deel van de dorpelingen nog nooit in Sumbawanga is geweest. En al zeker niet verder.

Hoewel er 100.000 mensen wonen, is Sumbawange ongeveer even metropolitisch als Odijk of Bennekom. Sorry, Bennekom, ik bedoel Appelscha. Zoveel verschil met het middeleeuwse dorp van Agnesi is er dus ook niet.

Dan valt iedereen in slaap, van pure commotie. Tot meneer Kisi aan toe. Ik stuur de Prado om de gaten in de weg heen en we bereiken, wonder boven wonder, veilig onze thuishaven. Steveni heeft een familie en een grote broer (en zus). En wij zijn ontroerd en vertederd. Waar vindt je zoiets nog.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten