Maar er zijn nog wel wat hordes te nemen. Ten eerste moet ik de medische apparatuur, die inmid-dels is ingevlogen uit Holland en China, inklaren op het vliegveld. Belastingvrij. Na enig gedoe vindt ik een agent, die deze klus voor mij gaat (in)klaren.
Het cargo station van Julius Nyerere Airport is maar klein. Een grote hangar waarin stellingen met kratten en pakketten, wat kantoortjes voor de douane en een krakkemikkige kantine. Er scharrelt een zeer grote hoeveelheid mannen rond, allemaal met een pass aan een lint om hun nek. Zij hebben er kennelijk iets te zoeken, al is niet onmiddellijk evident wat precies. Zo zal het overal wel gaan.
De meeste mannen lopen driftig rond met stapels papieren in hun hand. Een van die mannen is Rogers, mijn agent. Zijn kantoor bestaat uit een gammel tafeltje op het terras van de kantine.
Hmm, zegt hij. Als je dit spul belastingvrij wilt invoeren, dan gaat dat een hoop rompslomp geven.
Hij legt mij de procedure uit. Het komt er op neer dat er een groot aantal ambtenaren - in een dito aantal ver uit elkaar liggende kantoren - een stempel moeten zetten op mijn certificates of donation. Verder moet ik geregistreerd staan als belasting-betaler.
Maar mijn papieren zijn al geratificeerd door de Tanzaniaanse consul in Nederland, zeg ik, en wijs op de prachtige stempels met het landswapen en de indrukwekkende handtekeningen. En de invoer is belastingvrij.
Ah…ja, zegt mijn agent. Maar dat is Nederland. Dit is Tanzania.
Ik begrijp dat het niet anders is. De mensheid kan niet worden gered zonder zweet en tranen. Ik ga bedremmeld op pad.
Een week lang ben ik bezig met een Dar-es-Salaam wijd charme offensief ten toon te spreiden ten burele van diverse ambtenaren. In ruil daarvoor is Iedereen uiterst hulpvaardig. Uren sta ik in files, dagen wacht ik voor gesloten loketten. Uiteindelijk lukt het me alle stempels, goedkeuringen en nummers te verzamelen. Uitgeput zoek ik Rogers op in de kantine op het vliegveld.
Well done, zegt Rogers. Laat het verder maar aan mij over. Het kan een paar dagen duren.
Vergeet het maar. Dagelijks belt Rogers mij op om de stand van zaken uit te leggen. Er zijn veel - niet nader genoemde - beren op de weg.. Ik wacht af en studeer Kiswahili. Ik drink een biertje aan het strand. Ik probeer een filosofische gedachte te bedenken. Ik overweeg om buschauffeur te worden op de lijn Utrecht-Driebergen. Of suppoost in het stadsmuseum van Meppel.
Maar, dan, op een dag meldt Rogers plotseling dat de douane de spullen gaat controleren. Daar moet ik bij aanwezig zijn, zegt hij. Om uitleg te geven. Halleluja. Een doorbraak. Ik haast mij naar het vliegveld. Ik wacht twee dagen lang in de openluchtkantine van het cargo-station. De eigenaar, die medelijden met mij heeft, schotelt mij de ene verrukkelijke stoofschotel na de andere voor. Ik geef hem fooi, die ik dan weer terug krijg in de vorm van gratis cola. Tussen de klanten door leert hij mij Swahili. Ik krijg zelfs een eigen tafeltje toegewezen. Dit is je kantoor, zegt de eigenaar trots. Ik leer eindeloos rijtjes woorden Kiswahili uit mijn hoofd, om ze onmiddellijk weer te vergeten. Ik wacht.
Honderd meter verder, achter een roestig hek van kippegaas, landen en vertrekken de Boeings van KLM en Emirates met bulderend geweld. Het waait. Soms ook niet. Zo nu en dan regent het. Dan weer drijven witte wolken gracieus voorbij door de Afrikaanse lucht. Ik wacht. Soms komt Rogers kijken. Geduld, zegt hij, geduld. Ik wacht.
Dan, uiteindelijk, op een middag, wordt de grote krat opengebroken. Een douanier plukt er een monitor uit. Wat is dat voor een ding? Ik leg het hem uit. Hij wijst op een doos. Een sterilisatie-machine. Hmm, zegt hij. Maak maar weer dicht. De kist wordt weer dichtgespijkerd.
Klaar? vraag ik aan Rogers.
Nee, er moet nog een mevrouw van het ministerie komen kijken.
Ik wacht de rest van de middag, maar geen mevrouw.
De volgende ochtend is ze er wel. Ze trekt wat aan de dozen verbandmateriaal, die we er in hebben gestopt als opvulmateriaal. Er vallen een paar ouden-van-dagen-incontinentieluiers uit de kist. Wat is dit? Stuffing, zeg ik. Tegen het stoten. Ze kijkt misprijzend naar de monitors.
Hmm, zegt ze. Maak maar weer dicht.
Klaar?
Nee. Er blijken nieuwe problemen te zijn gerezen. Er zijn twee zendingen. Op de ene airway bill staat "Att. of Dr. R. P., Sumbawanga Hospital", op de andere "Sumbawanga Hospital, att. of dr. R. P."
Wat is het probleem?
Nou legt Rogers uit, de ene zending kan op jouw naam worden ingevoerd, de andere op de naam van het ziekenhuis. Hij neemt mij mee naar de betreffende ambtenaar. Het is de tax-man.
Luister, zeg ik tegen de tax-man. Dat maakt toch niet uit, wie er bovenaan staat?
Jawel, zegt de tax-man. Het gaat erom wie de hoofd-ontvanger is. In het ene geval kan het op jouw tax-number , in het andere geval moet het op dat van het ziekenhuis. Want op een van de airway bills staat het ziekenhuis als eerste vermeld. Wat is het tax-number van het ziekenhuis?
Geen idee, zeg ik. Maar het is allemaal belastingvrij. Wat heeft het tax-number er mee te maken?
Dat is ook nodig als er geen tax wordt betaald.
Maar mijn naam staat toch op allebei de zendingen?
Ja, maar in de verkeerde volgorde.
Dat komt door de Chinezen, probeer ik. Die lezen alles van onder naar boven, snap je? Het is een vergissing.
Nee, nee, vertel mij niets over de Chinezen, de helft van wat hier aankomt komt uit China. Ik moet een tax-number van het ziekenhuis hebben.
Kun je dat niet nakijken?
Daar zijn wij niet voor.
Ik bel het ziekenhuis. Zij SMS'en mij een tax-number.
Hier is het tax-number. Hij tikt het in op zijn computer.
Het klopt niet.
En dat kon u niet nakijken.
Wij zijn er om het te controleren. Niet om er achteraan te gaan.
Ik bel het ziekenhuis.
Nee, dat klopt dat het niet klopt. Het ziekenhuis heeft geen tax-nummer. Wij hebben het tax-nummer van het districtsbestuur opgegeven.
Weer een dag verloren. Rogers ploetert verder. Het is nu bijna klaar, meldt hij. Ik wacht af.
Twee keer leen ik een pick up truck om de spullen - uiteindelijk - op te halen, twee keer gooit de een of andere ambtenaar toch weer roet in het eten. Aan het einde van de tweede dag mag ik het spul uiteindelijk meenemen. Er is kennelijk iets geritseld. Ik laad ik een krat in. Als hij op de pick-up ligt, rolt langzaam het luik van de hangar naar beneden. De andere krat staat, per ongeluk, nog binnen. Ik mag de volgende dag terugkomen voor de rest.
Rogers is een broer van de man van de neef van een nicht van een van mijn gastvrouwen, en dus is hij te vertrouwen. Zijn rekening liegt er desondanks bepaald niet om. Maar wie ben ik om erover te zeuren?
Niet dat daarmee mijn problemen over zijn. Ik heb inmiddels een auto gekocht. Een neef van van een nicht van een tante van een oom had een Toyota Landcruiser te koop. Alle reddertjes in Afrika rijden in zo'n ding. Ik moet er dus ook een. Ze zijn niet goedkoop.
Ik maak een fors bedrag over via het internet. We wachten. De dagen verstrijken. We wachten langer. De verkoper wordt ongeduldig. Dagelijks trek ik overal ATM-machines leeg om miljoenen shillings aan voorschotten te betalen. Na een week is het geld er nog niet. Ik kan niet op weg zonder de autopapieren.
Ik bel de ABN. Die zegt dat ze niet kunnen nagaan waar het geld is. Ze sturen het naar Afrika en dan zoekt de opdrachtgever - ik dus - het verder maar uit. Zo werkt het. Ik wordt boos.
Hoe kan ik er zeker van zijn dat Mobutu en zijn kronies niet bezig zijn er een feestje van te bouwen?
Mobutu is al lang geen president van de Kongo meer.
Maar waar is het geld dan?
Geen idee. Als u het over een paar weken nog niet heeft, dan kunt u een klacht indienen.
Uiteindelijk blijkt het geld, geheel uit eigen beweging zijn tenten te hebben opgeslagen bij een andere, willekeurige bank in Dar es Salaam.
Ik ga naar het hoofdkantoor van die bank. Ik haal - toch wel enigszins op hoge poten - verhaal. Wat doen zij met mijn geld, potjandorie. Fout. Men gooit de kont tegen de krib.
Maar suffie, zo werkt het toch niet in Afrika, zeggen mijn gastvrouwen. Zij leggen mij de juiste procedure uit. Ik ga opnieuw op pad.
Ik stel mij ditmaal uitgebreid voor, informeer naar het welzijn van de lokettist zelf, naar dat van zijn familie, incl. de debiele neef en de suikerzieke grootmoeder en hang een verhaal op over hoe de Stichting Tandoe het gemiddelde welzijn van alle Tanzanianen beduidend gaat opkrikken. Vervolgens laat ik, terloops, de naam vallen van mijn gastvrouwen.
Dat werkt veel en veel beter. Ik wordt meegetroond naar de burelen van een belangrijke manager en binnen een paar minuten heeft men mijn geld niet alleen gevonden, maar ook op weg gestuurd naar de juiste bank. Daarna gaan er - toch nog - 4 dagen overheen.
Inmiddels blijkt de auto minstens een jaar ouder dan aangegeven. Er volgen opnieuw uitgebreide onderhandelingen en er wordt een korting afgesproken. Dan wordt de auto uiteindelijk betaald. Ik laad al de medische apparatuur en mijn bagage in de auto en kondig plechtig aan mijn gastvrouwen aan dat ik er vandoor ga.
Alleen?
Ja, waarom niet?
Alleen? Helemaal naar Sumbawanga?
Ja, hoezo dan?
Een mzungu, alleen in een Prado. Dat gaat niet lukken.
Waarom niet?
Nou ja, als het nou een Landrover was geweest, maar een Prado. Dat ga je niet redden. Iemand ziet je langskomen, hij belt een vriendje, ze organiseren een roadblock en weg Prado.
Op de weg van Dar naar Mbeya? Kom nou, dat is een drukke weg.
Ze hebben maar 5 minuten nodig. Luister, er komt niets van in.
Er volgt uitgebreid familieberaad, in het Kiswahili. Ik heb duidelijk geen enkele zeggenschap in deze kwestie. Er moet begeleiding komen.
Hoe moet dat in vredesnaam, roep ik. Die man moet twee dagen meerijden en hoe moet hij dan terug?
Met de bus.
Maar die bussen zijn levensgevaarlijk. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben.
Niet zo gevaarlijk als een eenzame mzungu in een Prado.
De taxichauffeur van de familie wordt opgeroepen. Hij komt, maar zijn rijbewijs is verlopen.
Geen nood, roep ik. Het gaat heus wel lukken.
Maar plan B is al in stelling gebracht. Er meldt zich een andere chauffeur. Het is inmiddels 11 uur 's avonds. Maar ik heb nog een troef.
Er kan niemand meer bij, stamel ik. Mijn bagage moet op de bijrijdersstoel. Hij kan er niet meer in.
Er komt niets van in. De bagage kan op het dak. De chauffeur weet precies hoe het moet.
Er wordt onderhandeld over de prijs. Kennelijk heeft de familie iets tegoed van de chauffeur, want de man wordt in tweeën gezaagd op de onderhandelingstafel. Ik moet erbij komen om hem te redden.
Er wordt een bedrag afgesproken dat overeenkomt met de prijs van een taxi naar Schiphol. Plus onkosten: drie nachten hotel en de bustickets terug.
Ik had er mij heel erg op verheugd alleen te reizen. Maar een weigering zou mijn goede naam in dit land voor altijd teniet doen. Zelfs de VN zou er schande van spreken.
De goede man meldt zich de volgende dag. Hoe lang denkt hij er over te doen. Dar-Mbeya, de eerste etappe is 900 km. Hij denkt ongeveer 8 uur. Ik krijg bange voorgevoelens. Maar ik zit totaal klem. Er wordt gezoend en er worden handen geschud en we gaan op pad. De chauffeur rijdt. Het is een prachtige dag.
Ik was buschauffeur, verklaart de man trots. O ja, zeg ik aarzelend. Ik weet niet of ik dit een aanbeveling vind. De vorige buschauffeur die ik kende in Tanzania, maakte op een haar na een eind aan mijn leven. Helaas spreek ik onvoldoende Kiswahili om het hem uit te leggen.
Het eerste stuk van de reis voert door het licht heuvelachtige Dar. Dar is heel groot. De prima tweebaansweg wordt omzoomd door veel groene bomen en door de tientallen kilometers lange aaneenschakeling van zanderige, krakkemikkige winkeltjes, barretjes, meubelmakerijtjes, hekkenlassers, fietsenmakers, etc. etc. In veel andere landen, Pakistan, India, Egypte, Indonesie, wordt je droevig van dit soort kwakkelende middenstand. In die landen zitten de handelaren bedroefd en tekortgedaan in hun betonnen blokkendoosjes, als prinsjes die per ongeluk zijn gereïncarneerd tussen de Tokkies. Mokkend geven ze de schuld aan het noodlot, aan Amerika, aan het kapitalisme, aan het weer of aan alles tegelijk. Zoniet in Afrika. Kijk ons eens, zeggen de Afrikanen, wat wij van de gevonden voorwerpen in elkaar hebben geknutseld. OK, het kan misschien wat gelikter of sjieker, maar schiet je daar nou echt iets mee op? Zo is het toch prima. Meer heb je niet nodig. Misschien ligt het aan de kleuren: aan de uithangborden, of de Afrikaanse katoentjes van de vrouwen, of gewoon, aan de stralende glimlachen die je worden toegeworpen als je "Mambo" roept uit het raam. Zo op je gemak worden rondgereden tussen al deze rommel door, op een zonnige dag in Afrika, daar wordt je gewoon gelukkig van.
Jammer is dat er tussen al die middenstanders plotseling een agent met een laser staat. Ook een vorm van middenstandersschap, in Tanzania. Een politievrouw spreekt ons vermanend toe. 64 km per uur, zegt zij, wijzend naar het onweerlegbaar digitaal bewijs. Er steken hier kinderen over! En inderdaad steken er drie kleine meisjes over, in schooluniform. Er is nergens een school te bekennen en ik krijg de indruk dat deze meisjes worden betaald om zo nu en dan hollend over te steken en zo de impact van de preek kracht bij te zetten.
Politievrouwen zijn hier overigens het bekijken waard. Zoals in veel Engelse ex-kolonien hebben de dames hun koloniale uniform behouden. Zwarte platte schoenen, zwarte kniekousen, een blauwe halflange rok, met riem, een witte blouse met epauletten en een Britse politiepet. Het geheel wordt gecompleteerd door een soort stokje met twee koperen doppen op de uiteinden. Het stokje heeft geen enkel nut, maar wordt met verve onder de arm geklemd, waar het de hele dag bezig is met het uitstralen van gezag. Het Afrikaanse aspect aan het geheel wordt gevormd door de obligatoire kolossale achtersteven. Omdat deze de rok aan de achterzijde wat omhoog houdt, loopt deze altijd schuin naar voren af. Een ding is duidelijk: een Afrikaanse politievrouw laat niet met zich spotten. Wij tonen oprecht berouw en betalen 20.000 shilling.
Na een paar honderd kilometer verkeersdrempels rijden wij door 100 km. natuurgebied. Daar zijn nog meer drempels, ditmaal niet voor schoolkinderen, maar voor het overstekend wild. Wij zien een olifant, vijf zebra's die gezellig een familie gnoes op de thee hebben en veel apen met blauwe konten en rode pikken. Een ervan zit zich midden op de weg af te sjorren. Toeteren helpt niet.
Mijn chauffeur heeft het een beetje op zijn zenuwen gekregen van die kordate politievrouw en houdt zich strikt aan de forse snelheidslimites. Dat is lovenswaardig, maar zo schiet het allemaal niet echt op. Dan trekken we de bergen in. Het grootste deel van Tanzania bestaat uit hoogland met forse, groene heuvels, doorsneden door de gorges van kleine rivieren. Mooi en indrukwekkend. Maar als we voor de zoveelste keer een half uur bij een wegversperring hebben gestaan, realiseert mijn chauffeur zich om een uur of vier plotseling dat het wel eens nachtwerk zou kunnen worden en dit maakt, helaas, de Michael Schumacher in hem wakker. Drempels, borden en beperkingen bestaan ineens niet meer, het gas gaat op de plank en hij realiseert met enige regelmaat 150 km per uur. Nu is de tweebaans-weg op zich niet slecht, want de potholes worden kennelijk zo nu en dan opgevuld, maar ze ontstaan helaas sneller dan ze gevuld kunnen worden. Nu vlieg je er met 150 praktisch overheen, dus dat geeft niet zo erg. Vervelender zijn de fietsers, die het moeten doen met een strookje van 50 asfalt-garnering aan de zijkanten van de weg. Dat strookje hebben ze zelf op de auto's veroverd, vinden ze. Er is overigens geen sprake van een duidelijke afscheiding. Dat zou allemaal nog wel redelijk goed kunnen gaan, maar een Tanzaniaanse baiskeli fungeert hier tevens als vrachtwagen. Giga zakken houtskool, manden vol met kippen, bossen brandhout, veertien lege cola-kratten (veertien, met de lege flesjes erin!) worden allemaal achterop gebonden en slingeren vrolijk over het 50 cm brede strookje, uitwijkend (de weg op!) voor schoolkinderen, verliefde stellen, weggelopen koeien, etc. Als het licht uit gaat - elke avond gaat om 18.30 uur het licht uit in Afrika - brengt mijn chauffeur de gemiddelde snelheid weliswaar terug naar 120 km maar ik sta nog steeds doodsangsten uit. Maar zelf rijden in het donker doe beslist ik niet. Mijn chauffeur haalt Mbeya zonder kleerscheuren.
De volgende dag heeft mijn chauffeur er echt zin in, meldt hij. Dat belooft weinig goeds.
Misschien is de weg naar Sumbawanga wel net geschraapt, zeiden mijn gastvrouwen bij mijn afscheid. De eerste minister heeft het gebied bezocht, dan schrapen ze de weg nogal eens voor hem.
Dat zou dan betekenen dat ze 500 kilometer weg voor hem hebben geschraapt. Zoveel houden ze niet van de eerste minister in Rukwa regio. De zandweg is dus een complete ramp, zeker aan het einde van het regenseizoen.
Mijn chauffeur denkt daar heel anders over. Zodra we het asfalt achter ons hebben gelaten, barst hij los in een ode aan de onvervalste Afrikaanse dirt road. Hij beveelt uitbundig zijn talenten als chauf-feur aan, vervolgens prijst hij de Prado de hemel in en verklaart hij dat er geen enkel probleem Is. Hakuna matata, roept hij triomfantelijk, hakuna matata! Hij gaat mij safe safe naar Sumbawanga brengen. Dat hij de kwaliteiten van mijn Prado prijst waardeer ik, want het is inderdaad de beste terreinwagen die er op vier wielen rondrijdt. Anderzijds ben ik echter heel bang dat hij mij op deze zandweg vol keien, gaten, kuilen en geulen gaat demonstreren hoe je - als top chauffeur - het maxi-mum kunt halen uit dit onvolprezen materiaal. En die angst is niet onterecht. Het gas gaat op de plank, de snelheidsmeter schiet omhoog, de auto springt als een rodeostier op en neer en heen en weer en mijn chauffeur glimt van trots en genoegen.
Ik zie groen en geel van ellende, maar daar heeft hij geen oog voor. Hij is beslist van plan een gemid-delde van 100 km/uur te realiseren op dit bizarre stuk woestenij, waarop de benaming weg eigenlijk niet eens van toepassing is.
Pole, pole, (kalm aan) roep ik telkens benauwd, als hij weer een pothole inschiet en het slingerende gevaarte de wildste bokkesprongen maakt. Hij rijdt dan een minuut iets minder hard, maar daarna gaat de beuk er weer in. Safe safe, roept hij, dereva nzuri (goede chauffeur) met in zijn ene hand het stuur en in de andere zijn telefoon. Mama belt, verklaart hij verontschuldigend, terwijl hij aan het stuur rukt om het met 100 km per uur voort suizende, 3.000 kg zware projectiel op de weg te houden.
Elke keer remt hij even af om mij te plezieren, maar dan wordt de snelheidsduivel weer vaardig over hem en verandert de reis weer in zijn privé versie van Parijs-Dakar. Hij heeft de grootste lol.
Ik wil ook een stukje rijden, jammer ik in doodangst.
Hapana, hapana, huwezi, lacht mijn chauffeur. Nee, nee, dat kan ik niet. Ik beloof de madam- zo noemt hij mijn gastvrouw - ik breng jou Sumbawanga safe safe.
Een bijkomend probleem is dat er links en rechts van de zandweg fietsers op zwaarbeladen baiskeli balanceren en er overal drommen kleine, geüniformeerde schoolkinderen lopen. Een schuiver en hij heeft er een paar te pakken. Dat is niet alleen lullig voor die kinderen, maar ook voor ons, want normaal gesproken eindigt zoiets in een lynchpartij.
Nu moet ik hem toegeven dat hij wel kan rijden. Beter dan ik. Maar hij zal mij ook moeten toegeven dat er in Tanzania veel meer verkeersdoden vallen dan in Nederland, terwijl Tanzania 15 maal min-der auto's heeft. Jammer genoeg faalt ook hier mijn taalkennis.
Een paar droevige weetjes over Afrikaans verkeer. In de Centraal Afrikaanse Repubiek valt jaarlijks op elke 25 geregistreerde auto's een dode. In Ethiopie op elke 50 auto's een, In Tanzania op elke 100 auto's een. Ter vergelijking: in Nederland op elke 4.000 een. Het risico om met een auto jezelf of iemand anders om zeep te helpen is dus 40x hoger in Tanzania dan in Nederland. Eveneens ter vergelijking: Tanzania heeft 400.000 auto's, Nederland 7 miljoen. Tanzania is ook nog eens 30 maal groter dan Nederland. Je zou verwachten dat het moeilijker is om tegen elkaar op te knallen. Niet dus.
Van elke 100 doden zijn er 10 chauffeur, 40 passagier en 40 voetganger. Tanzania staat er heel slecht op, zelfs in Afrika. Het neemt plaats 3 of 4 in van de 37 landen. Er zijn de laatste jaren op de asfalt-wegen heel veel hoge drempels aangelegd in de dorpen. Er wordt op snelheid gecontroleerd. Maar de cijfers verbeteren nauwelijks. De bussen en de mini-bussen, statistisch de grootste moordenaars, verkeren nog steeds in dezelfde abominabele staat: controles op veiligheid (banden!), snelheid, aantallen passagiers zijn theorie wel aanwezig, maar worden met smeergeld (of bordeelbezoek) afgekocht. Dit laatste werd mij persoonlijk verteld door een manager van een buscompany. De grote lijnbussen veroorzaken alleen al 300-400 doden per jaar. De minimusjes een veelvoud daarvan. Deze cijfers zijn van 1996. Recente statistieken zijn op het internet niet te krijgen. Een aantal internet-gebruikers vraagt zich af waarom niet. Ik ook.
Het grootste probleem is echter het volgende. In Afrika kan alles morgen, eventueel overmorgen of eventueel zelfs helemaal niet. Zodra er echter vier wielen en een gaspedaal aan te pas komen, telt plotseling elke seconde. De echte macho treuzelt met alles, behalve met neuken en autorijden.
De buschauffeur heeft gemiddeld 100 toeschouwers: hij moet en zal al die mensen laten zien dat hij geen watje is. Al wordt het zijn dood en die van zijn passagiers.
Mijn chauffeur wil mij ook laten zien dat hij geen watje is. Hij wil mij laten zien dat hij heel hard kan rijden en toch safe safe is. Als ik hem uiteindelijk tien keer tot kalmte heb gemaand, wordt ik pissig als hij weer een keer de 100 haalt en zeg ik hem dat hij langzaam moet rijden anders rijd ik zelf. Dan wordt hij ook pissig en gaat uiterst demonstratief 30 km per uur rijden.
Vervolgens zeg ik hem 60 op de slechte stukken te rijden en 80 maximaal en daar houdt hij zich aan. We bereiken uiteindelijk Sumbawanga zonder kleerscheuren en in redelijke harmonie. Ik had zelf moeten rijden. Het risico van overvallers en hijackers weegt op geen enkele tegen de inherente waanzin van de gemotoriseerde Afrikaan. Maar ik leef nog en ik heb mijn bestemming bereikt. Halleluja.
Hi Rob
BeantwoordenVerwijderenVan Igno kreeg ik je site. Ik heb niet alles gelezen, maar eea is wel indrukwekkend en ontroerend. Hoop dat je (weer) veel zinnigs aldaar kan doen. Groet, en pas óók op jezelf. Rene Ponsioen.